‘Spitten in de akker’

    Tweede congres over de aardgeschiedenis door christen wetenschappers.

Door werkgroep Kom&Zie op Urk.

       Zaterdag 26 oktober 2002.

 

     Inhoud:

 

 

 

Deze reader geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het creationisme in het Nederlandse taalgebied. Er zijn goede ontwikkelingen. Er komen meer christenen die zich verdiepen in het God dienen met het verstand. Losstaande onderzoeken worden meestal ingekaderd in een totaal model van de koppeling tussen bijbelse en wereldgeschiedenis.

 

Er zijn verschillende modellen in omloop. Twee hoofdlijnen worden daarin vaak onderscheiden: het Amerikaanse of het Europese model. Dit onderscheid is voortgekomen uit de ontstaansgeschiedenis van het creationisme. In Amerika kwam vorige eeuw als eerste weer een bewustwording op gang over de letterlijke kant van de Bijbel. Met betrekking tot de geologie werd een model opgeworpen waarin alle aardlagen door de Zondvloed werden veroorzaakt. Dit als antwoordt op de evolutie theorie.

 

Ontwikkelingen in de wetenschap hebben dat model logischerwijs doen veranderen. In Europa is meer afstand tot het eerste (Amerikaanse) model ontstaan dan in Amerika zelf. Daardoor zijn de twee hoofdlijnen ontstaan binnen het creationisme. De vraag is of dit onderscheid nog steeds actueel is.

 

In deze reader zijn duidelijk nog verschillen tussen de getoonde modellen te zien. Uit het gebodene kan (nog) niet een definitieve keus gemaakt worden. Het onderzoek loopt nog. Toch kan zeker wel een persoonlijke keus gemaakt worden welk model de hoogst verklarende waarde heeft. Daarin is de schrijver van dit stuk wellicht niet objectief meer. Excuses daarvoor, maar neem en lees, onderzoek en oordeel zelf!

 

     

       Kom&Zie!                                                         

Tekstvak:  Urk, 7 oktober 2002

Tekstvak:   Wijk 3-103, 8321 GB, Urk

 

Geachte heer,

 

Van harte nodigt Kom&Zie u uit voor een symposium op Urk.

Een symposium rond het thema:

 

‘Wereldmodellen in botsing?!’

 

Met als titel:

 

‘SPITTEN IN DE AKKER’

 

Kom&Zie is een zelfstandige werkgroep onder de paraplu van stichting ‘De Oude Wereld’. Tijdens deze tweede urker studiedag komen vier modellen over de aardgeschiedenis aan de orde. Wat zijn de verschillen, wat de overeenkomsten en wat is de bewijslast? Kunnen we komen tot een gezamenlijke formulering? Een en ander vindt plaats in gemeentelijk museum 'Het Oude Raadhuis’ op Urk en wel op

 

Zaterdag 26 oktober 2002 DV.

 

De laatste zaterdag voor Hervormingsdag, Aardvormingsdag?

De organisatie hoopt op een geslaagde dag.

 

Graag tot ziens,

Namens Kom&Zie,

 

Jan Rein de Wit Azn.

 

 

 

 

 

 

Bijlage:

·        Agenda.

·        Sprekers en hun lezing.

·        Routebeschrijving.

 

 

De agenda is als volgt:

 

Bescheiden lunch in een zaaltje op loopafstand. Vragen over voorgaande lezingen kunnen schriftelijk ingeleverd worden bij Jan Rein de Wit Azn.

Wie is waar mee bezig? Aanwezigen kunnen in korte bewoordingen hun activiteit, studie of interesseveld weergeven. Wat is er de afgelopen periode gebeurd?

Kees-Jan van Dam presenteert een pretentieus plan.

Het museum is tot 17.00 uur geopend. De expositie van Kom&Zie kan bekeken worden. Teken aub. de presentielijst!

 

De sprekers en hun lezing in het kort:

·         Hans Hoogerduijn. Hans heeft de studies sociale geografie en culturele antropologie doorlopen aan de universiteit van Leiden en de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij is leraar aan het Greydanus College in Zwolle. Op de studiedag verdedigt hij het ‘zinkende Titanic’ model. Door inslagen gebroken oceaanbodem zinkt de aardmantel in. De Zondvloed begint. Aardlagen van het Paleozoïcum ontstaan. Permlagen vormen de begrenzing voor deze zondvloedlagen. Resterende aardlagen moeten dan na de Zondvloed zijn ontstaan. Wat voor bewijslast heeft Hans daarvoor? Wat geeft de Bijbel voor aanwijzingen? Op de studiedag is het manuscript van zijn binnenkort uit te komen boek verkrijgbaar!

 

·         Evert van der Heide. Evert is afgestudeerd in de organische chemie, homogene katalyse en biologie aan de Rijks Universiteit Utrecht en gepromoveerd aan de Technische Universiteit Delft met heterogene katalyse als thema. Hij is research chemicus bij SHELL in Amsterdam. In zijn lezing bespreekt hij de grote uitstervingen zoals die in de aardlagen te vinden zijn. Waar vinden we die massakerkhoven en wanneer zijn die ontstaan? Hoe zit dat met dateringen? Evert wil vooral de huidige wetenschappelijke ontwikkelingen laten spreken.

 

·         Kees-Jan van Dam. Kees-Jan is afgestudeerd aan de Landbouwuniversiteit Wageningen. Hij volgde de studie Zoötechniek. Na achtereenvolgens beleidsmedewerker bij het Landbouwschap te den Haag en deskundige bij het landbouwkundig onderzoek te Lelystad te zijn geweest is hij nu docent biologie in  Rotterdam. Met zijn inleiding bespreekt hij de hydroplaattheorie van Walt Brown. In dit wereldmodel zijn het ondergrondse waterbronnen die open breken en de Zondvloed veroorzaken. Walt Brown bracht dit model al in 1986 naar voren. Toch komt het in een opsomming van creationistische theorieën niet voor. Waarom niet?

 

·         Tom Zoutewelle. Tom studeerde biologie en geologie aan de Universiteit Utrecht en is fellow researcher aan het Geoscience Research Institute van de Loma Linda University in Californië, USA. Hij is oprichter van Creaton. Een stichting die zich bezig houdt met onderzoeksvraagstukken rond het creationisme en het ontwikkelen van onderwijsmiddelen en media over dit onderwerp. Creaton is gevestigd in het gebouw van de Evangelische Hogeschool. Tom wil met zijn referaat laten zien waar de problemen voor creationistische wereldmodellen liggen. Hoe denkt hij die problemen op te lossen? Hoe verhouden zich volgens hem de bijbelse- en de aardgeschiedenis? Moeten we naar een synthese van de verschillende modellen toe?

 

Allemaal vragen die tijdens de forumdiscussie besproken kunnen worden!                                         


Inleiding door Jan Rein de Wit Azn.:

 

Spitten in de akker.

 

De titel van de studiedag verwijst naar de gelijkenis van de schat in de akker. Die gelijkenis wil zeggen: zoals die schat in de akker verbogen was, zo is Christus te vinden in Zijn Woord, de Bijbel.

Dat Woord noemt het de exclusieve roem van de Almachtige, dat Hij, de alwetende God, de Schepper zeggen kan: “Ik ben de Heere, nieuwe dingen kondig Ik aan, voordat zij uitspruiten” (Jes.42:8,9). En die roem wil Hij niet met een ander delen. Een tekst als Jesaja 46:9,10 is daar heel duidelijk over: “Ik immers ben God, en er is geen ander god, en niemand is mij gelijk. Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds, wat nog niet geschied is, die zegt; Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al Mijn welbehagen doen”.Er zijn veel teksten met deze strekking. (bv. Deu.18:21,22, Jes.41:21-23, Jer.28:9, Joh.13:19, 2Tim.3:16, 2Pet.1:19-21)

 

De bijbelse geschiedenis, met de door de eeuwen heen uitgesproken profetieën, sluit als de legstukjes van een puzzel. ‘Niet één woord valt ter aarde.’ Dat is geen toeval. Het belangrijkste profetisch item betreft de komende Messias. De komst van Christus is het centrale onderwerp van de Bijbel. Het Oude Testament bevat 333 voorzeggingen over Zijn eerste komst. De bijbelse geschiedenis focust op de geslachtslijn van Jezus. Aan Eva werd immers beloofd dat uit haar de Verlosser geboren zou worden? Het geboorteregister laat zien dat de Belover getrouw is.

 

Deze zogenaamde ‘moederbelofte’ is meteen de eerste uitsluiting: een man zou er niet aan te pas komen, want Hij zou het Zaad van de vrouw zijn (Gen.3:15). Later sluit God zelfs twee derde van de volken uit door het geslacht van Sem te verkiezen uit de drie zonen van Noach (Gen.9:26). Een latere scheiding wijst het geslacht van Abraham aan (Gen.12:1-3,7). Daarna wordt Izak verkoren (Gen.17:19). Uit zijn kinderen is het weer Jakob die de geslachtslijn zal voortzetten (Gen.28:13). Daarna is het Juda die verkozen wordt (Gen.49:10).

Uit de vele duizenden gezinnen uit de stam van Juda is het het gezin van Isai waaruit de Messias geboren moest worden (Jes.11:1,2). De achtste zoon uit dat gezin werd verkozen: David (Psa.132:11). Na David is het Salomo (1Kro.28:5,6). Een wel heel belangrijke begrenzing in de afstamming van de Messias is dat Hij moest geboren worden uit een maagd (Jes.7:13,14).

Daarna wordt zelfs de plaats van geboorte aangeduid: Bethlehem (Mic.5:1).

 

Je voelt de spanning stijgen als door de loop van de tijd de voorzeggingen steeds concreter worden. De Messias moest komen voordat de stam van Juda op zou houden te bestaan (Gen.49:10). Hij moest komen voor de verwoesting van de tweede tempel (Hag.2:8,10) en 483 jaar na het bevel voor de (her)bouw van deze tempel (Dan.9:25,26).

Het Oude Testament staat vol met voorzeggingen van de Komende! Een repeterende echo die door de eeuwen klonk.

 

Niemand in de tijd van Jezus heeft Zijn afkomst betwist, want ze wisten vanwaar Hij was. Tot de verwoesting van de tweede tempel in het jaar 70 na Christus kon iedere Jood zijn afkomst nagaan, want heel Israël was in registers opgenomen (1Kro.9:1). Deze geslachtsregisters werden bewaard in de steden (Neh.7:5,6). Zij waren algemeen bezit en vrij toegankelijk. De stamboom van iedere Israëliet waarborgde zijn eigendomsrecht van boerderij, huis of akker. Er was dus geldelijk belang om die registers in stand te houden. Deze werden dan ook zorgvuldig bewaard tot de verwoesting van Jeruzalem en de Joodse staat in 70 na Christus. Sindsdien kan niemand meer bewijzen dat hij van David afstamt. De registers zijn weg. Behalve die in de Bijbel.

De Bijbel heeft dus veel aandacht voor het geboorteregister van Jezus. Het Nieuwe Testament begint er zelfs mee. Dat is één van de facetten van die schat in de akker. Als wij spitten in de akker van Gods Woord, komen we al die dingen tegen. Maar wat als we gaan spitten in de akker van Gods schepping? Wat voor facetten vinden we dan? Aardlagen, fossielen, allerlei gesteenten en mineralen, wat moeten we daarmee? En vooral, wat moeten we met die miljoenen jaren die erbij geplakt zijn?

Want als die waar zijn, dan kan het geslachtsregister niet waar zijn. En als dat niet waar is, dan is heel het scheppingsverhaal, met de zondeval en de voorzegging en noodzaak van de Verlosser niet waar! Het Evolutie of Scheppingsvraagstuk raakt dus de kern van het Evangelie. Kunnen wij Zijn verhaal vertellen? Of sluiten we ons liever op in eigen kring? Wij geloven toch wel? Evolutie of niet. Dat kan, maar vergeet dan niet dat je Gods verhaal en vooral Gods aanbod niet verder kan vertellen. Zelfs aan je kinderen niet. Je hebt namelijk geen waarheidsclaim meer.

 

Christenen, die hun verantwoordelijkheid nemen gaan het vraagstuk niet uit de weg. Als de Bijbel waar is, dan is de geschiedenis voorbij gegleden zoals het daar vermeldt staat. Als dat zo is, dan is dat ook te onderzoeken.

Nou, probeer het maar. Dan staat je wat te wachten. Af en toe waag ik ook eens een poging. Ik ben columnist in een plaatselijk nieuwsblad. Ooit vroeg ik mij af wat er met de vrouw van Lot zou zijn gebeurd. Op de morgen volgend na plaatsing van de column stak een orthodoxe broeder zijn vinger bijna in m’n neus: als ik maar rekende dat het een wonder was! Terwijl in het volgende nummer een vrijzinnige plaatsgenoot zijn emoties luchtte over het willen verdedigen van die Bijbel. Op de volgende pagina staat de desbetreffende column.

 

Ik denk dat meerderen van ons dit probleem herkennen. Een vreemde luiheid bij geloofsgenoten of juist een fanatiek verdedigen van een bepaalde interpretatie van Gods Woord en anderzijds een smadelijk lachen of begripvol verdragen door ongelovigen. Laten we hopen dat het een lachen van geluk mag worden als ze de rijkdom van dat Woord leren kennen.

Wat dat betreft is de tijd in ons voordeel. Steeds meer zal blijken dat de Bijbel de juiste geschiedenis weergeeft. Zullen wij ons huiswerk goed doen? Misschien zal God ons gebruiken? Wereldmodellen in botsing zijn dan geen leefwerelden in botsing! Zoals Tom Zoutewelle mooi weergaf aan het eind van de dag: het is de liefde tot dat Woord en daarmee tot de Spreker van dat Woord die ons bindt. En we weten dat dat Woord geen verzinsel is.

 

“Nooit is de profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar door de Heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken” (2Pet.1:21).

 

Ook dat herdachten we met Kerst!

 

Groetenis en nog veel heil en zegen in 2003,

Jan Rein de Wit Azn.

Januari 2003.

 



Lot z’n vrouw.

Als er iets tot mijn verbeelding sprak, als klein jongetje in de kerk, dan was het wel de geschiedenis van de vrouw van Lot. Ze moesten vluchten uit Sodom. Ze mochten niet omkijken, maar zij deed dat wel. En ze werd een zoutpilaar! De dominee wist dat natuurlijk perfect te vergeestelijken. Ze zat nog te vast aan het aardse ofzo. Maar dat hoorde ik allang niet meer. In kinderlijke fantasie zag ik een engel met zo’n flitszwaard haar omtoveren in een stuk steen.

 

Hoe kan dat?

Veel mensen weten nu beter. Zoiets kan natuurlijk niet. Zie je wel, de Bijbel is ook maar een boek. Vol fantastische verhalen. Goedgelovige mensen halen daar rijke symbolische lessen uit. Ach, dat moeten zij weten. Als ze zich daar fijn bij voelen… Het zijn de bekrompen fundamentalisten die, ondanks wetenschappelijk onderzoek, vol blijven houden dat zoiets echt gebeurd is. Dat hun God zomaar zo’n wonder zou kunnen doen. Zo goedgelovig ben ik ook. Ik geloof dat mijn God zoiets kan. Toch denk ik niet dat ’t zo gebeurd is.

 

Wat staat er eigenlijk?

Sodom en Gomorra lagen in het dal Siddim, dat wat nu de Dode Zee is. Het was een hele vruchtbare vallei. Daarom wilde Lot er graag wonen. Dan krijgen ze herrie met een zekere Kedor Laomer. Die komt aanrennen met een knokploeg en voert alles gevangen weg. Ook Lot. Hun soldaten waren gesneuveld of gevlucht. Op hun vlucht zijn er echter ook omgekomen die in zogenaamde ‘lijmputten’ vielen. Het dal Siddim zat daar vol mee.

 

Wat waren dat voor putten?

Meestal wordt het verstaan als asfaltputten. Dat is niet verwonderlijk. De Jordaan vallei loopt over in de Araba vallei die weer uitkomt op de golf van Akaba. Dat is een zijtak van de Rode Zee. Dat alles loopt als een diepe barst door het land en maakt deel uit van de Grote Afrikaanse Slenk. Dat is een breukvlak tussen twee aardschollen. Er zijn veel aardbevingen, vulkaanuitbarstingen en grondverzakkingen. Vrij logisch dan dat er op dat breukvlak, bij het laagst gelegen meer ter wereld (de Dode Zee ligt 400 m onder zeeniveau) asfaltputten voorkomen. Ik kan me voorstellen dat radeloos vluchtende soldaten omkomen als ze in die  smurrie vallen.

 

Wat gebeurt er met zo’n lichaam?

Mineralen uit het asfalt dringen de lichaamscellen binnen en vermineraliseren alles. Je verzout dus. Juist, je wordt een zoutpilaar! Het is perfect vertaald in onze Bijbel. Lot vlucht in paniek uit Sodom. Het is nacht en donker. Ondanks de waarschuwing kijkt z’n vrouw (ik kan haar naam niet noemen) om, struikelt en verdwijnt in zo’n lijmput. Dat laatste staat er niet, maar het zou zo gebeurd kunnen zijn. De vrouw van Lot is dan het eerst vermelde geval van fossilisatie (verstening).

 

Een wonder of dichterlijke fantasie?

Ik denk geen van beide. Gewoon lezen wat er staat. De Bijbel blijkt ook in deze geschiedenis betrouwbaar. Toch is het onmogelijk achten van zulke geschiedenissen een belangrijke reden om de Bijbel los te laten. Eenmaal losgeweekt zegt men dan ook een bijbelse leefwijze vaarwel. Mag ik weten waarom? Wees eerlijk als je de Bijbel los gaat laten. Zeg gewoon dat je het niet leuk vindt of verzin iets anders, maar vertel niet dat bewezen is dat de Bijbel niet waar is.

 

Groetenis, Jan Rein de Wit Azn.


 


Lezing door drs. Hans Hoogerduijn:

 

Dino’s en het ‘Zinkende Titanic’ model van de zondvloed.

 

1. Prikkelend.

Dino’s zijn in. Ze figureren in films als ‘Jurassic Park’ en ‘The Lost World’. En je komt ze regelmatig in stripverhalen tegen. Ook liggen er legio dinospeelgoedbeesten in de winkels. Bovendien is er om het jaar wel ergens in ons land een expositie over deze dieren te bewonderen. Zoals nu in het Naturalis in Leiden. Die gaat over dinosauriërs die in Argentinië zijn gevonden. Het zijn dan ook de dino’s waar de meeste mensen het eerst aan denken als het over de prehistorie gaat. Want deze fascinerende beesten prikkelen de verbeelding van jong en oud. Dat geldt ook voor christenen. Ook zij worden door deze dieren aan het nadenken gezet. Sommige vragen zich af, hoe God ooit dergelijke monsters heeft kunnen scheppen? Waren ze er al in het paradijs? Waren ze toen ook al zo enorm groot en vervaarlijk? En zijn ze nu tijdens de zondvloed uitgestorven? Of juist erna?

In dit artikel zal ik proberen om deze vragen te beantwoorden. Ik doe dit vooral door de geologische feiten aan het woord te laten. In de geest van Job 12 : 8: “Spreek tot de aarde en ze zal u onderwijzen”. Want de aardkorst heeft voor ons over de dino’s belangrijke informatie in petto.

 

2. Dino-feiten.

Kijken we eerst naar de fossielen van dino’s. Daarvan zijn er maar liefst 560 verschillende soorten gevonden. Gelukkig kunnen we dit grote aantal groeperen in slechts 6 zelfstandige families. Tussen deze families bestaat er qua skeletstructuur weinig overeenkomst. Daarom is het uitgesloten dat de ene familie uit een andere zou zijn voortgekomen. Ook valt er geen gemeenschappelijke voorouder van de 6 families aan te wijzen. Hetgeen betekent dat de dino-fossielen geen enkel bewijs opleveren voor macro-evolutie. We mogen deze zes families dus gewoon als geschapen basistypen beschouwen – eenheden die door God ‘naar hun aard’ tijdens de scheppingsweek zijn geformeerd en hun plaats kregen in het paradijs. Uit de grote variatie aan dinosoorten binnen deze families valt verder nog een belangrijke conclusie te trekken. Namelijk, dat er vanaf het paradijs binnen de 6 basistypen sprake is geweest van micro-evolutie. Waarschijnlijk heeft deze soortvorming binnen de familiegroepen vooral na de zondvloed plaatsgevonden. Dat zal in paragraaf 12 worden toegelicht. Er zijn zelfs goede redenen om aan te nemen, dat de megavormen die we van dino’s kennen en ook het voorkomen van vleeseters onder deze dieren pas van na de zondvloed dateren (zie paragraaf 13).

  

Tekstvak:  Laten we vervolgens eens bekijken in welke aardlagen de dinosauriërs voorkomen. Die aardlagen kunnen ons dan mogelijk vertellen of we deze beesten als slachtoffers van de zondvloed moeten zien.

Uit nader onderzoek blijken de volgende feiten van belang te zijn. Allereerst, dat de skeletten van de dino’s alleen zitten in gesteenten die tot het Jura en het Krijt worden gerekend. Ze komen beslist niet voor in de daaronder liggende aardlagen van het Paleozoïcum. En evenmin in de erboven gelegen formaties van het Tertiair.

 

Een ander belangrijk punt is, dat er in de aardlagen van het Jura en Krijt wereldwijd talloze loopsporen van dino’s te vinden zijn. In sommige gevallen zijn die tientallen kilometers lang. Deze ‘tracks’ laten zien, dat er op de aardlagen van het Jura en Krijt hele kudden dino’s rondliepen.

 

Tekstvak:  Bovendien komen er op meer dan 250 locaties in de aardlagen van het Jura en Krijt nesten van dino’s voor. Soms gaat het om kolonies met honderden broedplaatsen. En in de nesten liggen dino-eieren, waarvan een deel is uitgebroed. Incidenteel bevinden er zich in of vlakbij de nesten dino-babies die 1 tot 2 meter lang zijn. Die moeten in de nesten zijn uitgebroed en daarna een tijdlang zijn verzorgd door de ouderdieren.

 

Ook vinden we in of nabij de skeletten van dino’s gastrolieten, oftewel maagstenen. Het bijzondere van deze stenen is dat ze, gezien de fossielen die er in voorkomen, afkomstig zijn uit de gesteentelagen van het Ordovicium.

 

Tenslotte komen we in de aardlagen van het Jura en Krijt op diverse plaatsen uitwerpselen (coprolieten) en braaksel van dino’s tegen.

 

3. Testcase.

De vraag is nu of al deze feiten zijn ontstaan tijdens een zondvloed die 365 dagen heeft geduurd. Dat lijkt uiterst onwaarschijnlijk. Want we moeten ons goed realiseren dat onder de aardlagen van het Jura en Krijt overal op aarde dikke pakketten sediment van het Paleozoïcum liggen. Op sommige plaatsen zijn die honderden meters dik, op andere enkele tientallen meters. Deze wereldwijd voorkomende paleozoische afzettingen worden door creationisten algemeen aan de zondvloed toegeschreven.

Tekstvak:  Tekstvak:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De paleozoische sedimenten getuigen ervan, dat de aarde toen al volledig onder water stond. 

Ja sterker nog, deze dikke pakketten zondvloedafzettingen maken het uiterst onwaarschijnlijk dat er op dat moment tijdens de zondvloed nog landdieren in leven waren – uitgezonderd dan de dieren die in de ark zaten. Want het is uitgesloten dat, terwijl heel de aarde al is bedekt met dikke lagen modder uit de diepzee, er tijdens de zondvloed nog hele kudden dino’s over onze planeet rondbanjerden; en dat die dino’s dan ook nog nesten maakten, eieren legden, die uitbroedden en hun jongen verzorgden en bovendien nog stukken versteend zondvloedsediment in hun maag hadden zitten. Je hoeft geen Sherlock Holmes te zijn, om in te zien dat deze feiten onmogelijk zijn uit te leggen binnen een wereldwijd zondvloedscenario. Kortom, de dino’s waarvan we de skeletten, nesten en eieren in de rotsen vinden moeten wel na de zondvloed hebben geleefd. En de aardlagen van het Jura en Krijt dateren daarom van na de zondvloed.

 

4. Het ‘Zinkende Titanic’ Model (=ZTM).

Dino’s zijn dus geen directe slachtoffers van de zondvloed. Dat mogen we met enige zekerheid stellen. Toch hebben deze dieren indirect wel veel met deze grootste natuurramp aller tijden te maken. Zowel hun grote bloei direct na de zondvloed als ook hun uiteindelijk uitstreven enkele eeuwen later kun je het best begrijpen door na te gaan welke unieke fysische processen zich tijdens en direct na het zondvloeddrama hebben afgespeeld. Het is het ZTM dat ons hierover het beste informeert. Vanuit dit model is het mogelijk om zowel de enorme bloei van de dino’s na de zondvloed als ook hun uiteindelijke ondergang te verklaren. Dat zal uit de rest van dit artikel blijken.

 

Tekstvak:  Volgens het ZTM werd de zondvloed door een hevig kosmisch bombardement in gang gezet. Door dit inslaggeweld scheurde de oceanische korst in brokstukken uiteen. De uiteengereten oceaanbodems zakten vervolgens met grote snelheid de aardmantel in – als boter dat smeltend de koekenpan inglijdt. Het hete magma dat de plaats innam van de verdwenen zeebodems bezat een groter volume dan de verdwenen oceaanbodems. Daardoor steeg de zeespiegel honderden meters, zodat het oceaanwater met groot geweld over de landmassa’s stroomde. Enorme vloedgolven vaagden eerst alles van de continenten af en lieten er daarna uitgestrekte modderlawines van zeesediment op achter. Daarin vonden allerhande zeedieren hun graf.

Tekstvak:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5. Ondersteunende feiten.

Tekstvak:  Het ZTM wordt ondersteund door een aantal specifieke waarnemingen. Allereerst vinden we in de aardlagen van het Paleozoïcum en in de vlak daaronder gelegen Precambrische gesteenten onmiskenbare sporen van inslagen van meteorieten, n.l. in de vorm van inslagstructuren, iridium houdende lagen, tectieten en geshockte kwartskristallen. De laatste drie verschijnselen worden algemeen aan impacts toegeschreven: het edelmetaal iridium komt als fall-out bij een kosmische inslag vrij; tectieten zijn glasachtige bolletjes die door de formidabele hitte tijdens een inslag worden gevormd, terwijl het bij geshockte kwartsen gaat om zandkorrels waarin barstjes voorkomen die door enorme drukgolven tijdens het inslaggeweld zijn ontstaan. Verder blijkt de huidige oceaanbodem opvallend jong te zijn, wat er op wijst dat ze in een niet al te ver verleden gerecycled moet zijn.

Maar het meest opvallende feit is, dat er grote platen koude korst diep in de aarde blijken voor te komen op de grens van de aardmantel en de aardkern. Deze gezonken aardkorstschollen kunnen worden geïnterpreteerd als stukken koude oceaanbodem, die diep de mantel zijn ingedoken en op het grensvlak met de aardkern tot rust kwamen. De aanwezigheid van deze koude schollen diep in de aardmantel is in tegenspraak met de gevestigde theorie van de platentektoniek  (die sluit afzinking van oceanische korst tot op de grens van de aardkern uit), maar correspondeert exact met wat vanuit het ZTM wordt voorspeld. 

 

Tekstvak:  6. Aardlagen en fossielen van het Paleozoïcum.

 

Het ZTM verklaart uiteindelijk veel geologische feiten. Allereerst de volgorde van de aardlagen van het Paleozoïcum die tijdens de zondvloed is ontstaan. Voor de zondvloed bevond zich op de oceaanbodem een geweldige hoeveelheid sediment. Vanaf de kust gerekend lag er eerst een pakket grind, vervolgens zand, daarna klei en tenslotte kalk.

Tekstvak:

Het zwaarste materiaal bevond zich dus vlak aan de kust. Verder van het land af lag steeds lichter sediment. Toen tijdens de zondvloed het oceaanwater in vloedgolven over de continenten spoelde,  werd hierbij eerst het grind op de landmassa’s gedeponeerd, vervolgens het zand, daarna de klei en tenslotte de kalk. Dat is dan ook in grote lijnen de volgorde die we in de rotsen van het Paleozoïcum tegenkomen.

 

Tekstvak:  Ook de volgorde van fossielen in de aardlagen van het Paleozoïcum valt goed vanuit het ZTM te begrijpen. Zo werd aan het begin van de zondvloed eerst het bodemleven van de kustzone op de continenten gezwiept. Deze dieren vinden we terug in de gesteenten van het Cambrium. Daarna waren de bodembewoners van de diepzee aan de beurt. Ook die werden door vloedgolven op de landmassa’s gedeponeerd. We vinden ze terug in de aardlagen van het Ordovicium en Siluur. Vervolgens werden de zwemmende en vrij in het water drijvende zeedieren in het zondvloedsediment gevangen en op het land afgezet. Deze diergroepen treffen we in het Devoon aan. Tenslotte spoelden aan het eind van de zondvloed de drijvende wouden – een uniek ecosysteem dat voor de zondvloed op de oceanen dobberde – op het land aan. Deze vegetatiematten raakten onder de kalkmodder bedolven. Zo werden deze drijvende wouden gemummificeerd en omgezet in steenkool. Daaraan ontlenen de aardlagen van het Carboon hun naam.

 

7. Opdrogende aarde.

De aardlagen van het Perm en Trias laten een beeld zien van een opdrogende aarde. Ze zijn waarschijnlijk in de eerste decennia na afloop van de zondvloed gevormd. In het Perm waren alle continenten weer verenigd tot een aaneengesloten landmassa, Pangea. In de zones waar de continenten aan het eind van de zondvloed op elkaar waren gebotst bevonden zich nu hoogvlakten en bergen. Verder daalde de zeespiegel gestaag. Ze bereikte in het Trias haar laagste stand ooit. In het binnenland bevonden zich in het Perm nog reusachtige meren waarvan sommigen 2000 km lang en 500 meter breed waren. Deze bekkens herbergden restanten van het zondvloedwater.

Op het land deden zich aan het eind van de zondvloed regelmatig hevige erupties voor. Hierbij werden enorme gebieden in Siberië, Zuid Afrika en China bedekt met lava en vulkanische as. Voor de rest bestond het opdrogende, onbegroeide binnenland uit woestijnen. Daar joeg de wind het losse zand op tot geweldige zandduinen. Die zijn in de loop der tijd verkit tot uitgestrekte zandsteenformaties. Deze versteende windafzettingen kenmerken zich door hun fijne sortering, hun opvallende kriskras gelaagdheid en hun rode kleur. Die is ontstaan door het oxideren van een ijzerhuidje rondom de zandkorrels. Dat er zoveel ijzerdeeltjes in het voormalig zondvloedsediment zat – waardoor dat bij het droogvallen van de continenten kon gaan roesten  - heeft alles te maken met het ontstaan van nieuwe oceaanbodems tijdens de zondvloed. Dit verband zal hieronder nog worden toegelicht.

 

8. Massale uitstervingen na de zondvloed.

In zee voltrok zich in de Permtijd, direct na afloop van de zondvloed, een gigantisch drama. Vele diersoorten kwamen toen alsnog om. De oorzaak van deze ‘moeder aller uitstervingen’ is voor geologen nog steeds een raadsel. Toch valt juist dit ‘Grote Uitsterven’ zeer goed te begrijpen vanuit het ZTM. Tijdens de zondvloed werden de oude oceaanbodems immers aan flarden gescheurd. De brokstukken van deze oceanische korst verdwenen vervolgens in de diepte van de aarde. Daardoor kwam het zeewater in direct contact met de gloeiende lava in de dieper gelegen mantel. Door afkoeling van deze lava ontstond nieuwe oceanische korst. Tijdens dit proces van stolling en verharding kwamen formidabele hoeveelheden zout, ijzer, zwavel, CO2 en hitte vrij. Deze geweldige toevoer van energie en chemische stoffen uit het binnenste der aarde resulteerde in een milieucrisis die z’n weerga in de geschiedenis van onze planeet niet kent. Veel zeedieren die in eerste instantie de zondvloedramp hadden overleefd stierven door de hoge zoutconcentratie en de hitte alsnog uit. Vandaar dat er in het Perm zoveel soorten van de aardbodem verdwenen: 75% van de amfibieën en reptielen stierven uit; 80% van de families van ongewervelde zeedieren en 50% van het plankton.

 

9. Zoutafzettingen.

Tekstvak:  Bij de afkoeling en stolling van de nieuwe oceaanbodems tijdens en vlak na de zondvloed kwamen ook grote hoeveelheden zout vrij. Dit uitgeloogde zout werd in de decennia die op de zondvloed volgden bijeengespoeld in uitgestrekte bekkens aan de randen van de continenten. Deze Permische steenzoutformaties kennen een unieke chemische samenstelling, namelijk een extreem lage pH waarde en een zeer ongewone verhouding waarin de verschillende zoutsoorten voorkomen. Uit deze bijzondere chemische kenmerken valt af te leiden dat dit zout niet door gewone verdamping van zeewater is neergeslagen, maar afkomstig moet zijn van uitloging van basaltische zeebodems. De naam evaporieten (= indampingsgesteente), die men doorgaans voor dit zout gebruikt, kan daarom beter worden vervangen door de term magmatieten. Dit begrip drukt uit, dat het steenzout ontstond bij de stolling van magma. De Permische zoutformaties vormen de stille getuigen van de zoutcrisis die het leven in de oceanen vlak na de zondvloed op het randje van de ondergang bracht.

 

10. Superbroeikaseffect.

Bij de afkoeling en ontgassing van de nieuwe oceaanbodems tijdens en vlak na de zondvloed kwam ook heel veel CO2 vrij. Hierdoor ontwikkelde zich na de zondvloed een gigantisch broeikaseffect met concentraties CO2 die mogelijk tien keer zo hoog waren als tegenwoordig. Door deze hoge CO2 druk veranderde onze planeet de eerste eeuwen na de zondvloed in een ‘greenhouse earth’. Dit broeikasklimaat heeft zeker bijgedragen tot het opdrogen van de aarde. Ook begunstigde het warme klimaat zo vlak na de zondvloed het hestel van de vegetatie en een snelle verspreiding van dieren en planten over onze planeet.

Dit superbroeikasklimaat na de zondvloed heeft hooguit enige duizenden jaren geduurd. In die tijd absorbeerden planktonalgen, die in het oppervlaktewater van de oceanen leefden, de overdaad aan CO2 in de atmosfeer. Zo keerde de concentratie daarvan relatief snel naar de huidige waarden terug. Deze eencelligen gebruikten de koolstof om er hun kalkskeletjes mee op te bouwen. Na de dood van de kalkalgen kwamen hun microscopisch kleine kalkpantsers op de zeebodem terecht. Binnen enkele eeuwen raakten de zeeën zo gestoffeerd met dikke pakketten witte kalk. Op deze wijze werd het teveel aan CO2 in record tempo uit de atmosfeer verwijderd en naar de aarde terug gepompt.

 

Door de extreme bloei van kalkalgen en de ophoping van hun skeletdeeltjes in de wereldzeeën veranderden grote delen van de oceaanbodems dus in kalkwoestijnen. Maar die kalkskeletjes bleven niet definitief op de oceaanbodem liggen. Ze werden uiteindelijk door vloedgolven op de randen van de continenten gedeponeerd. Daar hoopten de gigantische massa’s kalkskeletten zich op tot de beroemde Krijtformaties, die we onder meer in het Limburgs heuvelland, op Kreta (waarnaar de Krijtlagen zijn vernoemd) en bij de door Vera Lynn bezongen ‘White Cliffs of Dover’ kunnen bewonderen.

 

Tekstvak:  Geofysisch gezien vormen de Krijtlagen een herhaling van de Permische afzettingen. In het Perm werd direct na de zondvloed, de overdaad aan zout dat bij de vorming van de nieuwe oceaanbodems vrij kwam in de aarde opgeslagen. Op analoge wijze gebeurde dat met de overdaad aan CO2. Alleen nu langs een omweg, namelijk via  de atmosfeer en daardoor sterk vertraagd. Door de vorming van de Krijtlagen werd de verstoring in de koolstofkringloop – die het gevolg was van de ontgassing van de nieuwe oceanische korst – ongedaan gemaakt.

 

De aardlagen van het Perm en Krijt vertellen ons uiteindelijk een driedelige boodschap. Allereerst, dat de biosfeer direct na de zondvloed volkomen ontregeld was. Op de continenten heerste een wereldwijde ‘dust bowl’. Het zeeleven werd met de totale vernietiging bedreigd door een zout en hitte crisis en de CO2 druk in de atmosfeer steeg naar ongekende hoogten.

In de tweede plaats laat het volstrekt unieke karakter van deze aardlagen en hun wereldwijde verspreiding zien, hoe ingrijpend en mondiaal de zondvloedramp is geweest. Eeuwen na afloop van deze catastrofe waren de naijleffecten ervan over de hele aarde nog merkbaar. Deze Perm en Krijtlagen zijn immers het directe gevolg van het ‘openbreken van de kolken der waterdiepten’, zoals dat tijdens de zondvloed heeft plaatsgevonden. Daarmee bevestigen deze unieke postzondvloed afzettingen tenslotte de juistheid van het ZTM. In dit model staat de op hol geslagen afzinking van oude oceaanbodems en de daarop volgende aanmaak van nieuwe oceanische korst tijdens de zondvloed centraal. En juist de vorming van een nieuwe oceaanbodem vormt een exclusieve en sluitende verklaring voor het achtereenvolgende ontstaan van de zout en krijtformaties in de eeuwen die op de zondvloed volgden.

 

11. Ga tot de fruitvliegjes.

Blijft de prangende vraag over, hoe het na de zondvloed met de dino’s is vergaan? Hoe is het mogelijk dat uit de nazaten van de dino’s die in de ark de zondvloed overleefden zoveel nieuwe soorten konden ontstaan? En dat allemaal binnen enkele honderden jaren na afloop van de zondvloed. De sleutel tot de oplossing van dit raadsel vinden we bij de fruitvliegjes. Met deze diersoort wordt sinds het begin van de vorige eeuw in laboratoria over de hele wereld geëxperimenteerd. In eerste instantie door mutaties in hun genen aan te brengen. Dit veranderen van het erfelijk materiaal blijkt een doodlopende weg. Want de talloze gemuteerde vliegjes zijn gedrochten met te korte of te lange poten, met te veel, te weinig of verschrompelde vleugels of exemplaren die blind zijn. Kortom, mutaties leveren alleen maar chaos en degeneratie op. Plus dat zulke genetisch veranderde Drosophila’s niet levensvatbaar zijn. Ze worden niet volwassen en planten zich daarom niet voort.

 

De laatste jaren heeft het onderzoek met de fruitvliegjes een verrassende wending gekregen. In een laboratorium te Californie worden deze diertjes niet meer gemuteerd maar blootgesteld aan allerlei extreme omgevingsinvloeden: hoge temperaturen of juist extreem lage, allerlei giftige stoffen en hoge of lage luchtdruk. Door deze dramatische veranderingen in hun omgeving ondergaan de vliegjes rigoureuze metamorfosen. Ze krijgen ogen-op-steeltjes, stekelharen of een afwijkend lijfje. Deze opduikende eigenschappen zitten kennelijk in het erfelijk materiaal (het genoom) van de vliegjes ingebouwd. Dit potentieel aan varianten ligt als het ware te wachten op geschikte milieuomstandigheden om te voorschijn te komen.

 

12. De genetische ladekast.

Deze spectaculaire ontdekking bij de Drosophila’s laat precies zien wat er na de zondvloed is gebeurd. In de dieren die uit de ark kwamen school een zelfde stilzwijgend arsenaal aan genetische mogelijkheden als bij de fruitvliegjes. Deze variatie aan vormen heeft God klaarblijkelijk in de genetische make-up van diersoorten ingebouwd als een soort levensverzekering. Bijvoorbeeld om het hoofd te kunnen bieden aan de extreme milieuveranderingen na de zondvloed. Want extreem waren die zeker: meer kosmische straling en rechtstreeks zonlicht aan het aardoppervlak, omdat de beschermende waterdampmantel tijdens de zondvloed was verdwenen, waardoor tevens de luchtdruk op aarde veranderde. En er ontstonden grotere temperatuurverschillen, doordat de aardas tijdens de zondvloed schever was komen te staan. Verder waren er grotere neerslagverschillen o.a. omdat zich tijdens de zondvloed gebergten vormden en ook omdat de luchtcirculatie na de zondvloed volledig anders was geworden. Tel daar nog het effect bij van het super-broeikasklimaat, de stofstormen, het voedselgebrek en de zout- en hittecrisis na afloop van de zondvloed en het is duidelijk dat de aarde toentertijd in een gigantische milieucrisis verkeerde. In deze kwade dagen werd de genetische ladekast open getrokken en kwamen de sluimerende genetische mogelijkheden tot ontplooiing. Een aantal van deze nieuwe vormen – zoals het eten van vlees – kwam in de misère van een opdrogende, berooide aarde goed van pas. Zo wisten de diersoorten die uit de ark kwamen – waaronder de dino’s – deze ongekende biotische crisis te overleven. De werking van dit genetisch overlevingspakket – officieel gedifferentieerde genexpressie geheten – verklaart dus het razendsnelle ontstaan van de enorme rijkdom aan vormen onder de dino’s na afloop van de zondvloed.

 

13. Vleeseters pas na de zondvloed?

Hierboven werd terloops opgemerkt dat er zich pas na de zondvloed onder de dino’s vleeseters ontwikkelden. Deze gedachte sluit aan bij wat de bijbel ons vertelt. In Gen. 1 : 29 lezen we, dat de dieren in het paradijs groen kruid aten. Ze waren dus van oorsprong herbivoor. Wanneer Gen. 7 : 21 ons meedeelt dat Noach voedsel in de ark voor mens en dier moet inslaan, zal dit waarschijnlijk uitsluitend groen kruid en zaaddragend gewas zijn geweest. Niets wijst er op, dat het voedselpatroon van mensen en dieren inmiddels was veranderd. Het lijkt ook onwaarschijnlijk dat er in de Ark voorraden vlees voor de dieren aanwezig waren. Verder lezen we in Gen. 9 : 5, 6 dat de Here na afloop van de zondvloed een nieuw gebod uitvaardigt, waarin ook de dieren worden betrokken. Voor de dieren komt dit gebod er op neer, dat wanneer ze mensen doden en opeten ze dat met de dood moeten bekopen. Klaarblijkelijk werd deze situatie pas na de zondvloed actueel. Uit deze bijbelse gegevens ontstaat de indruk, dat de landdieren pas na de zondvloed carnivoor werden. Deze indruk wordt versterkt als we kijken naar de landdieren die we vinden in de eerste aardlagen van na de zondvloed. Dat zijn de gesteenten van het Trias. Blijkt, dat daarin wereldwijd alleen planteneters voorkomen. Paleontologen stellen met nadruk dat er in het Trias geen predatoren voorkomen en dat daarom de fauna toen zo eentonig en kosmopolitisch was. Pas aan het eind van het Trias verschijnen er roofdieren op het toneel.

 

Er is een gebied waar de faunaontwikkeling na de zondvloed uitstekend in de aardlagen is gedocumenteerd, namelijk het Karroo bekken in Zuid Afrika. Dit gebied is tijdens het Trias opgevuld met dikke pakketten rode modder. Daarin worden grote hoeveelheden beenderen gevonden, vooral van landdieren die men tot de therapsiden rekent. Deze fossiele resten vallen globaal in twee groepen te verdelen. In de onderste lagen van het bassin komen alleen therapisden voor met een ongedifferentieerd gebit, dus met allemaal identieke tanden die passen bij een herbivoor voedselpatroon. In de bovenste aardlagen verschijnen er opeens dieren met een gebitsstructuur waarin hoektanden, snijtanden en kiezen aanwezig zijn, die een carnivore levensstijl verraden.

 

De paleontologische gegevens van het Trias vormen dus een bevestiging van de hypothese die hierboven op basis van bijbelse gegevens is geformuleerd. Namelijk, dat er voor de zondvloed en ook vlak er na uitsluitend herbivoren op het land leefden. En dat de vleeseters, ook onder de dino’s, zich pas na de zondvloed hebben ontwikkeld. 

 

14. Vernietiging van leefmilieus.

Tenslotte is er nog het mysterie van het uitsterven van de dino’s. Hoe valt dat vanuit het ZTM te begrijpen? Dat verband is als volgt. We hebben hierboven gezien dat de oceaanbodems tijdens de zondvloed werden gerecycled. De eerste eeuwen na de zondvloed was de prille oceaanbodem nog zeer dun en instabiel. Zeebevingen en onderwater vulkanisme waren toen aan de orde van de dag. Plus dat het zeewater een instabiele thermische opbouw kende: het bodemwater was door het contact met de nog gloeiend hete oceaanbodem veel warmer dan het water aan het oppervlak, waardoor het onderliggende water bij de geringste verstoring ertoe neigde omhoog te komen. Door deze combinatie van factoren – instabiele thermische opbouw en instabiele oceaanbodems – deden zich regelmatig ‘overturns’ voor: plotselinge waterbewegingen waarbij uit de diepte van de oceaan een stroming opwelde die in een geweldige vloedgolf de laaglandgebieden onder water zette, daarbij dikke pakketten kalk of klei achterlatend. En het waren juist deze laaglandgebieden waar de dinosauriërs heer en meester waren. Hun leefgebieden werden door plotselinge vloedgolven telkens weer Tekstvak:  overspoeld. Zo kwamen veel dino’s om.

 

 

De plotselinge moddervloeden vanuit zee waren in staat om de reusachtige kadavers van deze dieren in één keer volledig te bedekken. Daardoor werden hun skeletdelen van de buitenwereld afgesloten waardoor ze konden fossiliseren. Dat we juist deze kolossale beesten als fossielen tegenkomen is een extra aanwijzing dat in die tijd geweldige modderlawines de laaglandgebieden teisterden. Immers bij een meer geleidelijke sedimentatie van de kalk zouden de reusachtige kadavers van de dino’s door aaseters zijn verscheurd en volledig zijn weggerot voordat ze in de kalkmodder waren begraven. Bovendien mogen we aannemen, dat het leefmilieu van de dino’s door de herhaaldelijke vloedgolven van kalkmodder uiteindelijk is vernietigd. Dit blijkt vooral hieruit, dat er in vindplaatsen van dinosauriërs op meerdere niveaus boven elkaar nesten voorkomen. Deze broedplaatsen zijn volledig ongestoord – dus volledig intact met eieren en soms met skeletresten van jonge dino’s er in. Op sommige plaatsen gaat het om drie aparte horizonten, op andere locaties zelfs om negen. Klaarblijkelijk werd de eerste generatie broedplaatsen plotseling door kalkmodder bedolven. Na enige tijd moet een nieuwe populatie dino’s het inmiddels drooggevallen gebied in bezit hebben genomen. Ook deze leefgemeenschap werd overvallen door een vloedgolf waardoor hun broedplaatsen compleet met kalkmodder bedekt raakten. Dit drama heeft zich daarna nog een keer (of in het geval van de 9 broedplaatsen boven elkaar zelfs 7 keer) herhaald. Markant detail is, dat de modderlagen totaal geen plantaardig materiaal bevatten. En dat terwijl het toch om broedplaatsen van herbivoren ging. Het ontbreken van planten, wortels en zelfs van zaden betekent, dat de leefgebieden van deze dieren een aantal keren kort na elkaar zijn overspoeld. Daardoor kreeg de vegetatie niet voldoende de gelegenheid zich te herstellen. Hierin schuilt de voornaamste oorzaak dat deze dieren uiteindelijk uitstierven.

 

De populaire voorstelling als zouden de dino’s door een kosmisch bombardement zijn omgekomen past bij nader inzien totaal niet bij de feiten. Het is waar, er heeft zich inderdaad aan het einde van het Krijt een nieuw kosmisch bombardement voorgegaan. Maar deze ramp speelde zich pas af toen de dinosauriërs al van de aardbodem waren verdwenen. Dat valt niet moeilijk in te zien. Want het is bekend dat de serie inslagen aan het eind van het Krijt wordt gemarkeerd door een iridiumhoudend kleilaagje dat wereldwijd voorkomt. Maar alle fossielen van dino’s liggen meters onder deze bijzondere markeringhorizont. Deze dieren lagen al in hun graf en hun leefgebieden waren al vernield voordat de dodelijke inslagramp zich voordeed. In die zin was de inslagramp op de grens van het Krijt en het Tertiair mosterd na de maaltijd.

 

15. Conclusie.

Puntsgewijs zet ik de belangrijkste zaken uit dit artikel nog even op een rijtje:

a.       Dinofossielen zijn van na de zondvloed.

b.      Het ZTM laat zien, hoe de zondvloed door een kosmisch bombardement in gang werd gezet. Door dit inslaggeweld scheurde de oceanische korst aan flarden. Brokstukken oceanische korst gleden vervolgens als een soort zinkende Titanic de mantel in. Hierbij steeg de zeespiegel en stroomde het oceaanwater over de landmassa’s.

c.       Het ZTM verklaart de volgorde van zowel de aardlagen als de fossielen van het Paleozoïcum. Dit Paleozoïcum is tijdens de zondvloed afgezet.

d.      Het ZTM verklaart ook de volstrekt unieke kenmerken van de aardlagen van het Perm (Trias) en het Krijt. Deze geologische formaties dateren van na de zondvloed.

e.       Het ZTM verklaart bovendien het ontstaan van de extreme variatie aan dino-vormen in de eeuwen na afloop van de zondvloed.

f.        Tenslotte laat het ZTM zien hoe de dino’s uiteindelijk na de zondvloed ten onder zijn gegaan: door de instabiele oceanen deden er zich periodiek vloedgolven voor die de laaglandgebieden met kalkmodder bedekten. Zo werden de leefmilieus van de dinosauriërs vernietigd en stierven deze dieren tenslotte uit.

 

Dit artikel is gebaseerd op de studie “Eens was er de Zondvloed” (131 bladzijden).

In deze studie is een uitgebreide literatuurverwijzing opgenomen. Mede vanuit deze literatuur is de tekst van dit artikel tot stand gekomen.

De studie “Eens was er de Zondvloed” is voor 8 euro (inclusief verzendkosten) te bestellen bij Hans Hoogerduijn.

Tel. 038-4658374, E-mail: j.e.hoogerduijn@home.nl


Lezing door drs. Evert van der Heide:

 

Catastrofes in het verleden.

 

Het dilemma waar veel christenen voor staan zijn de bijbelse gegevens van schepping en zondvloed tegenover evolutie en geologische tijdschaal zoals de wetenschap ons dat voorhoudt.

Tekstvak:  De vragen die gesteld kunnen worden bepalen de uiteindelijke antwoorden.

 

Biblicistische vragen kunnen zijn: wat was de oorzaak van de zondvloed? Konden alle dieren in de ark? Wanneer eindigde de zondvloed en hoe lang duurde het totdat de aarde weer gestabiliseerd was?

Tekstvak:  Het doel is dan: bevestiging van de bijbelse gegevens van de zondvloed, in overeenstemming met waarnemingen.

 

Scientistische vragen kunnen zijn: Welke gegevens vinden we in het veld? Welke processen hebben een rol gespeeld bij de vorming van aardlagen? Welke tijdschaal hoorde daarbij? Welke theorie kan ontwikkeld worden en wat is de voorspellende kracht?

Tekstvak:  Het doel is het ontwikkelen van een consistent wereldbeeld op basis van theorie en gegevens [2].

 

Hoe gaan we hiermee om? We kunnen een werkmodel ontwikkelen waarvan het bijbelverhaal reeds de blauwdruk vormt, of we gaan deze twee gebieden, geloof en wetenschap, totaal van elkaar scheiden.

 

Tekstvak:  Geloven is voor thuis, in de kerk. Buiten de zondag en buiten het gezin is een heel andere wereld die niets met geloof te maken heeft. Men leeft eigenlijk in twee werelden.

 

Bestaat er wel zoiets als een wetenschappelijk creationisme? De onzekerheden binnen de huidige wetenschap zijn groot genoeg: er is geen verklaring voor het ontstaan van de eerste cel, overgangsvormen tussen fossielen worden niet aangetroffen en onherleidbare complexiteit kan niet ontstaan door middel van een mechanisme van mutaties en natuurlijke selectie. De geologie biedt geen afdoende verklaring voor grootschalige sedimentatie op de continenten en op continentale schaal en evenmin voor grootschalige vulkanische afzettingen. Dit biedt alle ruimte om alternatieve wetenschappelijke kennis te ontwikkelen.

 

Tegelijk is er binnen het creationisme op veel problemen inmiddels een conceptueel of gedetailleerd antwoord ontwikkeld, maar is er volgens mij nog geen afdoende verklaring voor de volgorde van de fossielen in de opeenvolgende sedimenten en voor radiodatering [3]. Zolang dat het geval is kan er nog geen sprake zijn van een creationistisch wereldmodel.

 

Dat betekent dat de processen die tijdens de vorming van de sedimenten een rol speelden nader uitgewerkt moeten worden. Daaruit zal vervolgens geconcludeerd moeten worden wat er is gebeurd en welke tijdschaal daarbij hoort.

 

Tekstvak:  Een mogelijke insteek is dat er in de fossiele kolom grote uitstervingen worden gevonden, vijf grote (inclusief de grootste, einde Perm, en de uitsterving waarbij de dino's omkwamen, einde Krijt) en enkele tientallen kleinere uitstervingen.

 

Ik denk dat deze uitstervingen een tijdsprobleem voor het creationisme zouden kunnen zijn, omdat na elke uitsterving de aarde weer bevolkt zou zijn en de ecosystemen na verloop van tijd weer zijn gestabiliseerd.

Tekstvak:

Recent is echter gevonden dat deze ‘uitstervingen’ direct gerelateerd zijn aan sedimentatiesnelheid [4].

 

Als er weinig sedimentatie plaats vindt worden er ook weinig fossielen gevormd en lijkt het alsof ineens veel dieren uitsterven.

 

In werkelijkheid kan de snelheid van uitsterven constant geweest zijn, wat de oorzaak ook mag zijn.

 

 

De plotselinge variaties in sedimentatie blijken een relatie te hebben met een aantal andere belangrijke gegevens:

 

(1)   verandering van de richting waarin continenten verschuiven;

Tekstvak:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(2)   het optreden van impacts;

Tekstvak:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(3)   Tekstvak:  het optreden van grootschalige magma-uitbarstingen, zoals de flood basalts in Siberië aan het einde van het Perm en de Deccan Traps die half India bedekken en ontstonden toen de dino's uitstierven aan het einde van het Krijt;

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(4)   wereldwijde afzettingen van zwarte klei (black shales), die wijzen op tijdelijke afwezigheid van circulatie van oceaanwater en als gevolg daarvan zuurstofloos water en organische afzettingen;

Tekstvak:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(5)   een tijdelijke stop in de vorming van koraalriffen en tegelijk een tijdelijk ontstaan van stromatolieten, wat wijst op een catastrofe;

Tekstvak:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(6)   een tijdelijke verlaging van de waterstand in de oceaan, gevolgd door verhoging (regressie gevolgd door transgressie);

Tekstvak: Paleo-zeespiegel: rechts is jonger, hoger in de aardlagen.Tekstvak:

 

 

 

 

 

(7)   een zwakkere relatie met de vorming van grootschalige zoutlagen en red-beds, die mogelijk samenhangen met grootschalige basaltuitstortingen.

Tekstvak:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Al deze gegevens wijzen op catastrofale gebeurtenissen, die ongeveer 50 keer plaatsgevonden hebben in het geologische verleden. Deze catastrofes zullen deel moeten uitmaken van een eventueel toekomstig creationistisch wereldmodel.

Hieronder staat een opsomming van de relatie tussen de optredende catastrofes:

 

Tekstvak:

Ik verbind een tweetal conclusies aan het voorgaande:

 

 

Vooruitkijkend naar een (in grote lijnen) gezamenlijk creationistisch wereldmodel zie ik een aantal speerpunten in het werk wat nog verricht moet worden:

 

 

Referenties:

1. www . bible.ca.

2. Het is de bedoeling om de verschillende creationistische uitgangspunten in een toekomstige

    bijdrage uit te werken.

3. E. van der Heide, Bijbel en Wetenschap, 22, 214 (1999) p.165; 22, 215/216 (1999) p.202.

4. Nature, 416, pp.420-424, 2002.

5. www . creationscience.com

6. www . creabel.org

7. www . creaton.nl

8. www .  anw-antwoord.nl

 


Lezing door ir. Kees-Jan van Dam:

 

De Hydroplaat-theorie: een gedegen geologische basis van een Bijbels ontstaansmodel

 

Inleiding

Het doet mij een groot genoegen om vandaag in uw midden te kunnen zijn en een presentatie te kunnen geven van de Hydroplaat-theorie. Het doet mij zo’n groot genoegen, omdat de Hydroplaat-theorie een prachtige theorie is over het mechanisme van de zondvloed. Deze theorie past mijns inziens uitstekend binnen de ontwikkeling van een Bijbels gefundeerd model over het ontstaan van het heelal, inclusief de aarde en het leven. Ontwikkeling van een Bijbels gefundeerd model is mijns inziens iets wat hard nodig is.

 

 

De Hydroplaat-theorie: een prachtige theorie

Tekstvak:  De Hydroplaat-theorie vind ik een prachtige theorie, omdat de theorie Bijbelse uitgangspunten heeft en alles heeft wat je maar van een wetenschappelijke theorie mag wensen: hij is logisch, heeft weinig aannames, en heeft een grote verklarende en ook voorspellende waarde (hij kan dus ook gefalsifieerd worden, wat bij een wetenschappelijk model altijd voor mogelijk gehouden moet worden).

De theorie is beschreven door de Amerikaan Walt Brown in het boek In the Beginning. Walt Brown heeft een Ph.D. in werktuigbouwkunde, heeft een loopbaan van 21 jaar bij de Amerikaanse luchtmacht achter de rug, en heeft in 1980  zijn baan neergelegd om zich als directeur van het Center for Scientific Creation volledig te kunnen wijden aan onderzoek en voorlichting aangaande de hydroplate-theorie. De eerste editie van In the Beginning stamt ook uit 1980.

Inmiddels is er de 7e editie, die volledig te raadplegen is via internet, op de site www.creationscience.com.

 

Bekend in Nederland?

Omdat ik in Nederland nog geen aandacht bespeurd heb voor de Hydroplaat-theorie – behalve dan dat ik erachter kwam dat Frank van der Laar met een vertaling op Internet bezig is – acht ik het des te noodzakelijker dat aan deze theorie aandacht wordt besteed.

Er is wel eens kritisch geschreven door Evert van der Heide in Bijbel en Wetenschap dat er nog geen gedetailleerd creationistisch model bestaat (nr.215/216, 1999). Dan vraag ik mij nu af: heb je hier nog geen kennis van genomen? Ook herinner ik mij de kritische schrijftrant van Arjen van der Wolf en Tom Zoutewelle in hun gedegen doctoraalscriptie uit de tachtiger jaren. Dan denk ik: nu heb je in deze theorie waar je toen zo op hamerde! En in het themanummer van Ellips over de stand van het creationisme: geen spoor van de Hydroplaat-theorie. Dan denk ik: waar zijn we nou mee bezig?

 

Opbouw presentatie

Ik bespreek in vogelvlucht

1.de uitgangspunten van de Hydroplaat-theorie en

2.de vier fasen van de zondvloed volgens deze theorie.

Daarna verklaar ik enkele geologische mega-kenmerken met behulp van de theorie.

Hierna volgen enkele afsluitende opmerkingen.

 

 

De theorie: uitgangspunten

De uitgangspunten van het hydroplaat-model zijn als volgt.

Sinds de schepping bestond de aarde van buiten naar binnen uit de volgende lagen. De buitenkant bestond uit een granieten aardkorst van ongeveer 15 km dik. Op deze aardkorst lagen lage bergen en oerzeeën. Onder deze aardkorst was een laag onderaards water aanwezig van ongeveer 1 km dikte. De hoeveelheid onderaards water was ongeveer gelijk aan de hoeveelheid oppervlaktewater die aanwezig was in de oerzeeën. Het onderaardse water had een hoog zoutgehalte.

God had bij de schepping scheiding gemaakt tussen de wateren door middel van deze aardkorst (Genesis 1:6-8a). Deze uitleg van de Bijbeltekst is ook al voorgesteld door Robert Hooke (1635-1703).

Onder de laag onderaards water lag basalt. Deze basalten bodem gaat bij de Moho over in de aardmantel. Na de aardmantel volgen de buitenste en de binnenste aardkern.

Het onderaardse water stond onder grote druk door de zwaartekracht van de erop drukkende granieten aardkorst.

De druk van het water nam in de loop van de tijd toe.

Deze uitgangspunten zijn dus anders dan het uitgangspunt van inmiddels achterhaalde theorieën dat zich na de schepping een schil van water hoog in de atmosfeer bevond.

 

 

De theorie: vier zondvloed-fasen

Tekstvak:  Fase 1: scheuringsfase (uren)

Tekstvak:

Tekstvak:  De zondvloed begon op het moment dat er ergens in de granieten aardkorst een haarscheurtje ontstond. Door dit haarscheurtje drong het onderaardse water met grote kracht omhoog. Het haarscheurtje werd door het binnengedrongen water steeds groter en het scheurde door naar de oppervlakte van de aardkorst. Nu begon het onderaardse water als een supersonische fontein omhoog te spuiten. Deze fontein bestond uit het zoute onderaardse water en uit materiaal van de granieten aardkorst en van de basalten bodem dat los was geërodeerd en mee omhoog werd gevoerd. Deze gigantische fontein van water, zand en stenen spoot tot hoog in de atmosfeer en voor een deel zelfs daarbuiten. Het water dat in de atmosfeer bleef viel over een grote oppervlakte als zware slagregens naar beneden. Het water dat hoog in de atmosfeer was gekomen, was bevroren. Dit deel van de neerslag viel in de vorm van zanderige hagel/sneeuw.

Het water dat buiten de atmosfeer terecht kwam, kwam in een baan om de aarde of ontsnapte aan de aantrekkingskracht van de aarde en begon als komeet (85% water), asteroïde of meteoroïde aan een zwerftocht door ons zonnestelsel.

 

De scheur breidde zich intussen met grote snelheid naar beide kanten uit. De weg van de minste weerstand volgend raasde de scheur in ongeveer 2 à 3 uur via een min of meer cirkelvormig pad de aarde rond. Na die 2 à 3 uur ontmoetten de beide scheuruiteinden elkaar aan de andere kant van de aardbol, waarbij het ene scheuruiteinde zijdelings tot stilstand kwam in het laatste stuk van het andere scheuruiteinde: er ontstond een Y-vormig contact.

Dit vormde het einde van de scheuringsfase.

 

 

Tekstvak:

Fase 2: vloedfase (maanden)

Vanuit de aarde-omspannende scheur spoot het onderaardse water omhoog en stroomde ook zijwaards. De aarde kwam onder water te staan. Dit betekende het begin van de vloedfase.

Alle ademde wezens, mens en dier, kwamen om. Behalve Noach met zijn familie en de dieren in de ark. Planten, dieren en mensen werden met de stroming meegevoerd.

 

Een wereldwijde oceaan ontstond.

Tekstvak:  In Genesis lezen we dat het 40 dagen en 40 nachten stortregende (Gen.7:12). Na 40 etmalen kwam een einde aan het hoog in de atmosfeer spuiten van het onderaardse water uit de scheur. Gedurende 150 dagen na het begin van de vloed had het water de overhand boven de aarde, lezen we in Genesis (Gen.7:24). De aanvoer van onderaards water ging door tot 150 dagen na het begin van de vloed. Alle bergen van de oude wereld verdwenen onder water. Al de tijd dat de aarde onder water stond, konden zich huizenhoge golven ontwikkelen die door geen enkel strand werden gestuit. Deze hoge golven rolden de aarde rond en veroorzaakten in het sediment onder de golven een sterke uitsortering van materiaal. Dit is het gevolg van het proces van ‘liquefaction’.

 

Fase 3: continentale verschuivingsfase

Het ontstaan van de rug.

Tekstvak:  Tijdens de scheuringsfase en vloedfase had het omhoog spuitende water er voor gezorgd dat de scheur een stuk breder was geworden. De breedte werd gemiddeld ongeveer 600 kilometer. Op de plaats waar de scheur was begonnen, was de erosie het hevigst geweest en werd de grootste breedte bereikt. Op die plaats begon ook de volgende stap in het proces, het begin van de continentale verschuivingsfase.

 

Wat gebeurde daar?

Tekstvak:

Tekstvak:  Op die breedste plek kwam de basalten vloer van de onderaardse zee omhoog. De druk van de waterkolom boven de vloer was onvoldoende om het basalt in bedwang te houden, nu de granieten aardkorst boven deze plaats verdwenen was. De basalten bodem stond daarentegen wel voortdurend bloot aan druk van onder af, van het gesteente in de aardmantel. Het basalt hield het niet en knakte omhoog.

 

 

 

Tekstvak:  Tekstvak:

Dit betekende het ontstaan van een groot en velen nog onbekend geologisch fenomeen: de Midden-Oceanische Rug, een gebergteketen op de bodem van de huidige Atlantische Oceaan, Grote Oceaan en Indische Oceaan.

De Midden-Oceanische Rug ontstond het eerst op de bodem van de toekomstige Atlantische Oceaan. Hier was de scheur het wijdst geworden.

 

Tekstvak:  Tekstvak:

Toen de rug daar eenmaal was ontstaan, konden ook naburige delen van de basalten bodem het niet meer houden: die kwamen vervolgens ook omhoog. De rug kreeg door het buigen vele breukvlakken, zowel in de lengterichting, als dwars op de rug.

 

De rug breide zich uit in de gehele wereldomspannende scheur. De rug ontstond tenslotte ook op de bodem van de toekomstige Indische Oceaan, waar het een (omgekeerde) Y-vorm heeft.

 

 

 

De verschuiving van de continenten

Het ontstaan van de rug betekende het begin van de continentale verschuivingsfase.

Tekstvak:  Op het moment dat het eerste deel van de Midden-Oceanische Rug omhoog kwam (op de bodem van de toekomstige Atlantische Oceaan), begon de aardkorst op die plaats door de zwaartekracht aan weerszijden van de verhoging af te glijden. Een deel van het onderaardse water was nog onder de aardkorst aanwezig, en werkte als smeermiddel voor deze beweging. De aardkorstgedeelten die begonnen te glijden, worden in de theorie de hydroplaten genoemd. Het zijn in feite de continenten. (Aanvankelijk was er sprake van drie grote hydroplaten, die naarmate de beweging vorderde in meer delen uiteen braken.)

 

Naarmate de hydroplaten verder bij de rug vandaan waren gegleden, kreeg de rug door het wegvallen van het gewicht van de granieten aardkorst op deze plaatsen, de kans om breder te worden: de basalten bodem kwam aan de basis van de rug ook omhoog. Dit gaf de bewegende hydroplaten nog een extra duwtje mee.

 

Doordat de rug het eerst ontstond op de bodem van de Atlantische Oceaan, heeft dit proces hier het langst geduurd en is de rug hier het breedst en is de afstand tussen de hydroplaten (de continenten) het grootst geworden. Over de hele aardbol vond dit proces plaats, leidend tot een wegschuiven van de hydroplaten bij de rug vandaan.

 

Dat wegschuiven kon niet eindeloos doorgaan, want 90º verwijderd van de rug werden de hydroplaten in elkaar gedrukt.

 

Tekstvak:

 

Op de plaatsen waar de hydroplaten in elkaar werden gedrukt, ontstonden gebergteketens. Ze liggen evenwijdig aan de rug. Voorbeelden zijn de Andes en de Rocky Mountains. Als een accordeon werd het sediment geplooid in elkaar geduwd, en werd de onderliggende granieten hydroplaat in elkaar gedrukt, in de basalten onderlaag en de aardmantel. Dit genereerde in deze gebieden enorme hitte en het smelten van gesteente: het ontstaan van magma.

 

Tekstvak:  De hydroplaten kwamen zo als het ware ‘piepend en knersend’ tot stilstand. Ze waren nu niet langer hydroplaten, maar continenten, verankerd aan de basalten onderlaag. Resterende onderaardse waterbassins werden hierbij afgesloten. De aanvoer van onderaards water naar de oppervlakte stopte. Hier eindigde de continentale verschuivingsfase.

 

De hele fase heeft volgens Brown vermoedelijk niet veel langer dan één dag geduurd. Deze tijd lijkt mij echter te kort om in overeenstemming te kunnen zijn met Genesis. Tussen het vastlopen van de ark op het Araratgebergte en het zichtbaar worden van bergtoppen zaten tweeënenhalve maand. (Daarna duurde het nog 21 weken voordat Noach en de zijnen veilig de ark konden verlaten.)

De processen van de continentale verschuivingsfase zouden daarom wel wat langer geduurd kunnen hebben.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tekstvak:  Fase 4: herstelfase (tot op heden)

In Genesis lezen we dat het nog 21 weken duurde na het zichtbaar worden van de toppen van de bergen, voordat de aarde droog was en Noach en de zijnen veilig de ark konden verlaten (Gen.8).

Tekstvak:  Het water van de vloed begon tijdens de continentale verschuivingsfase naar de zich nieuw vormende oceanen te stromen. Door het uit elkaar schuiven van de hydroplaten ontstond een steeds breder oceaanbekken. De basalten oceaanbodem lag, afgezien van de Midden-Oceanische Rug, zo’n 15 km onder het niveau van de hydroplaten. Dit hoogteverschil zorgde ervoor dat de oceaanbekkens een groot watervolume konden bevatten. Het dikker worden van de hydroplaten door de samendrukking, vergrootte het hoogteverschil. De grote wrijvingswarmte leidde tot vulkanisme en de groei van ijskappen op en rond de polen (de ijstijd begon). De continenten vielen droog. Doordat het hoogteverschil tussen continenten en oceaanbodem direct na de continentale verschuivingsfase maximaal was, stroomde het water diep weg in de oceaanbekkens. Ook zorgde de aangroei van de poolkappen in de jaren erna voor een vermindering van de hoeveelheid zeewater. Na het droogvallen van de continenten stond de zeespiegel verscheidene kilometers lager dan tegenwoordig. Er waren brede landverbindingen aanwezig tussen alle continenten. Dit is te zien als je kijkt naar de kaart van de oceaanbodem en je bedenkt dat het continentaal plat (de lichtgrijze gedeelten) geheel droog stond. Azië en Noord-Amerika waren verbonden en (op een geul na) ook Australië - Azië en Europa - Noord-Amerika. Gedurende de eerste eeuwen na de vloed maakte dit migratie van mensen en dieren mogelijk. In de eeuwen na de vloed drukten de continenten met hun zware bergketens langzaam in de aardmantel. De reactie was dat de oceaanbodem langzaam omhoog kwam. Dit leidde geleidelijk tot zeespiegelstijging. Het smelten van poolijs versterkte dit effect. Het water begon de lagere delen van de continenten te overstromen, de delen die wij nu kennen als het continentaal plat. Gebieden die aanvankelijk verbonden waren, werden door het zeewater van elkaar gescheiden. Migratie van mens en dier werd bemoeilijkt of onmogelijk. Dit proces duurt tot op de dag van vandaag voort.

 

 

Voorbeelden van ‘mega-kenmerken’

Ontstaan van kometen, asteroïden en meteoroïden (scheuringsfase)

Het water dat buiten de atmosfeer terecht kwam, kwam in een baan om de aarde of ontsnapte aan de aantrekkingskracht van de aarde en begon als komeet (85% water), asteroïde of meteoroïde aan een zwerftocht door ons zonnestelsel.

 

 

Meteorietinslagen op de aardzijde van de maan (scheuringsfase)

Een klein deel van meteoroïden sloeg direct als meteoriet in op de aardzijde van de maan. Deze voltreffers zorgden op de maan voor inslagkraters. Door de grote wrijving smolt het maanoppervlak op deze plaatsen en ontstonden lavastromen die de kraters opvulden. Deze (nu gestolde) lavameren zijn vanaf de aarde zichtbaar.

 

Mammoeten bedolven onder het ijs (vloedfase)

Een deel van de neerslag was bevroren doordat het water van de fonteinen hoog in de atmosfeer was gekomen. De mammoeten van Siberië en Alaska werden door de bevroren neerslag ingepakt. De karkassen van mammoeten die uit het ijs te voorschijn komen, zijn helemaal intact. Alles wijst op een ogenblikkelijke bedelving van deze dieren en aansluitend een zeer sterke afkoeling want zelfs de ingewanden van deze kolossen hadden niet de tijd om tot ontbinding over te gaan. Dat de dieren letterlijk onder grote druk hebben gestaan toen ze dood gingen, blijkt uit de ongewone houding: de achterpoten onder het lijf, de voorpoten gebogen om overeind te kunnen komen. De verticaal staande botten in de voorpoten blijken op diverse plaatsen te zijn gebroken, als gevolg van het gewicht van het ijs waaronder de dieren levend werden begraven.

 

Onstaan van aardlagen door liquefaction (vloedfase)

Megagolven rolden de aarde rond, niet onderbroken door stranden. Deze megagolven veroorzaakten de afzetting van sedimenten en dode organismen in gesorteerde lagen door het proces van liquefaction (‘vloeibaarwording’).

Liquefaction is het drijven van zand en stenen op water dat van onderen af met kracht naar boven stroomt. Dit zie je bij golven en ook bij drijfzand en tijdens aardbevingen. Tijdens de vloedfase waren er zeer grote golven die rond de aarde rolden. Tijdens een golfdal is er sprake van een opgaande waterstroming in het sediment onder de golf. Het is dat moment waarop de deeltjes worden uitgesorteerd. Door de maandenlange golfslag tijdens de vloedfase, gecombineerd met de grote hoogte van de golven, konden de sedimenten met de resten van organismen in sterke mate worden uitgesorteerd.

 

0ntstaan van diepzeetroggen (continentale verschuivingsfase)

Het omhoog komen van de Midden-Oceanische Rug, het eerst in het gebied van de huidige Atlantische Oceaan, werd gevolgd door het ontstaan van krimpscheuren in de aarde precies aan de andere kant van de aardbol. Dit is het westelijke deel van de huidige Grote Oceaan. Hier werd de daar aanwezige aardkorst naar binnen getrokken en ontstonden de zeer diepe diepzeetroggen. Dit ging gepaard met enorme wrijving leidend tot het smelten van het gesteente: hier ontstond veel vulcanisme, wat het gebied de naam van “ring van vuur” bezorgde.

 

Ontstaan van gebergten (continentale verschuivingsfase)

De hydroplaten werden aan het eind van de continentale verschuivingsfase, 90º verwijderd van de Rug in elkaar gedrukt. Hierdoor ontstonden ketens van hoge bergen. Op plaatsen waar de druk het hoogst opliep, ontstonden enorme gebergteketens. Voorbeelden zijn de Rocky Mountains en het Andesgebergte.

 

Doorbreken van binnenmeren en ontstaan van canyons (herstelfase)

Op komvormige plaatsen op de continenten bleef het water van de vloed aanvankelijk achter en vormde binnenmeren. Sommige droogden wegens onvoldoende regenval uit, andere bleven bij voldoende wateraanvoer in stand. Sommige van deze binnenmeren braken in de eeuwen na de vloed alsnog door, waarna een plaatselijke overstroming ontstond en in enkele weken tijd een diepe canyon werd uitgesleten. Zo ontstond waarschijnlijk de Straat van Gibraltar, toen de Middenlandse Zee wegstroomde naar de Atlantische Oceaan. De Bosporus en de Dardanellen ontstonden waarschijnlijk op een soortgelijke wijze toen een verbinding ontstond tussen de Middelandse Zee en de Zwarte Zee. Ook ontstond zo de Grand Canyon in Noord-Amerika door het leegstromen van ‘Grand Lake’ en ‘Hopi Lake’.

 

Verschuiving aardmagnetisch veld ca 45º (herstelfase)

De verdikking van de hydroplaten en de gebergtevorming had de massaverdeling op aarde sterk veranderd en bracht de aarde in onbalans. Door de sterke middelpuntvliedende kracht op de gebergten kantelde de aarde ongeveer 45º. De Noordpool van voor de vloed verschoof naar wat nu Centraal-Azië is. Gebieden waar vóór de vloed een uitgebreide flora en fauna had bestaan, konden zo op de plaats van de huidige Noord- of Zuidpool terecht komen.

De Australische astronoom George Dodwell berekende op grond van historische verschuiving van de aardas dat deze verschuiving begon in ongeveer 2345 v.C. Dit tijdstip komt overeen met het tijdstip waarop de vloed plaatsvond zoals berekend kan worden op grond van de Bijbelse geslachtsregisters (2363 v.C.).

 

Meteorietinslagen op de verre zijde van de maan en op aarde (herstelfase)

Niet zozeer herstel, maar wel een nawee van de vloed vormden meteorietinslagen. De verre zijde van de maan werd in de eeuwen na de scheuringsfase, net als andere hemellichamen in ons zonnestelsel, door vele meteorieten getroffen. Deze inslagen hebben geen lavameren veroorzaakt en waren dus minder krachtig dan de inslagen die aan de aardzijde plaatsvonden tijdens de scheuringsfase.

Ook de aarde werd getroffen door meteorietinslagen.

 

 

Samenvatting

U hebt zojuist een presentatie gezien van de uitgangspunten en de inhoud van de Hydroplaat-theorie. De uitgangspunten zijn dat er onder de aardkorst een grote hoeveelheid water aanwezig was, die onder hoge, toenemende druk stond.

De zondvloed kende volgens deze theorie vier fasen:

1. scheuringsfase: er ontstond een wereldomspannende scheur in de aardkorst waardoor het onderaardse water omhoog spoot.

2.vloedfase: door het onderaardse water dat omhoog spoot kwam de aardkorst met alles wat er op leefde onder water te staan.

3. continentale verschuivingfase: de aardkorstgedeelten die nog op een deel van het onderaardse water rustten, de ‘hydroplaten’, schoven bij de scheur vandaan en kwamen even later tot stilstand.

4. herstelfase: het water van de vloed stroomde in de nieuw ontstane oceaanbekkens en allerlei geologische reacties vinden tot nu toe plaats.

 

 

Een theorie met grote verklarende kracht

De hydroplaat-theorie is een theorie die in sterke mate recht doet aan Bijbelse gegevens.

De theorie  geeft een logisch mechanisme voor het verloop van de zondvloed. Vanaf het begin van de zondvloed zijn de vervolgstappen van de zondvloed logisch te beredeneren.

De theorie geeft een bevredigende verklaring van (vrijwel) alle geologische megakenmerken van de aarde.

De Hydroplaat-theorie vind ik een bijzonder waardevolle theorie, die het waard is om ingebouwd te worden in een Bijbels ontstaansmodel (het Wereldkatastrofemodel).


Lezing door drs. Tom Zoutewelle:

 

Geologische aanwijzingen voor de Zondvloed.

 

Helaas is drs. Tom Zoutewelle niet in de gelegenheid geweest zijn bijdrage te verwoorden in deze studiebundel. Onderstaande is een weliswaar kort, maar goed uittreksel van zijn inleiding, gemaakt door Evert van der Heide en Herman Bos.

 

Drs. Tom Zoutewelle sloot het ochtendprogramma met een lezing over geologische aanwijzingen voor de zondvloed. Geologie betekent: het veld in, waarnemen. De sedimenten zijn de bron van informatie. De geologische kolom wordt inmiddels door de meeste creationisten geaccepteerd. Er is in de sedimenten een begin en een einde van diersoorten aan te wijzen. In grote lijnen begint de kolom met de vissen en de zeedieren, vervolgens de amfibieën en reptielen en tenslotte de vogels en de zoogdieren. De seculiere wetenschap komt mede op basis hiervan tot het model van evolutie. Een creationistische verklaring voor deze volgorde is, dat tijdens de zondvloed eerst zeeleven werd afgezet, daarna werden de laagliggende kustgebieden overstroomd met de daar levende amfibieën en reptielen en tenslotte de hoger gelegen gebieden waar vogels en zoogdieren voorkomen. Dat betekent dat dino's tijdens de zondvloed zijn omgekomen, evenals de zoogdieren die in de onderste lagen van het Tertiair zijn afgezet. De continentenverschuiving is nog maar recent door seculiere geologen geaccepteerd, en de acceptatie van catastrofes in het geologische verleden is van nog recentere datum. De dino's zijn door een impact uitgestorven, er zijn dus impacts geweest tijdens de zondvloed. Ongeveer een derde van alle afzettingen is turbidiet, dus snel afgezet in snel stromend water. Er zijn veel aanwijzingen voor een grootschalige en wereldwijde vloed. De zeespiegel was hoog tijdens het Cambrium en alle continenten waren vrijwel volledig bedekt met water. Daarna viel de aarde droog, maar tijdens het Krijt is er opnieuw hoog water op de continenten, waarbij alleen de inmiddels gevormde gebergtes boven water blijven. Daarna wordt de aarde opnieuw droog, aldus de seculiere geologie.

Zandafzettingen op continentale schaal kunnen alleen onder water hebben plaats gevonden. De stroomrichting van deze afzettingen is door creationisten wereldwijd gemeten en wijzen per periode grootschalig in dezelfde richting. De gemiddelde richting verandert in de loop van de tijd. Zo wijst de richting in Amerika tijdens het Paleozoïcum vooral naar het zuidwesten, waarbij sediment vanaf Scandinavië als mogelijk brongebied over Amerika is verspreid. Tijdens het Mesozoïcum is de richting veranderd.

Sedimenten zijn grootschalig afgezet, met regelmatig vele tientallen miljoenen jaren onderbreking, maar zonder sporen van significante erosie. Gedurende de ‘10.000’ jaar sinds de laatste ijstijd heeft grootschalige erosie plaatsgevonden. Hoe kunnen sedimenten miljoenen jaren aanwezig zijn zonder een spoor van erosie, terwijl er in 10.000 jaar grootschalige erosie optreedt?

Vulkanisch materiaal is pilaarvormig gepenetreerd door Jura- en Pleistoceen-lagen. Dat kan alleen als deze gesteenten 150 miljoen jaar zacht zijn gebleven, en dat is ondenkbaar. Conglomeraten komen voor in de periodes sinds het Eoceen, daarvoor worden vrijwel geen conglomeraten waargenomen. Voor oude bodems (paleosols) geldt hetzelfde. Dat betekent dat de zondvloed de lagen tot en met het Krijt heeft afgezet en ergens rond het Mioceen eindigde. Tijdens de zondvloed is rifting en subductie opgetreden, complementair met zeespiegelstijging, zowel tijdens het begin van het Paleozoïcum als tijdens het Krijt.


Intermezzo door drs. Henk Murris:

 

Genesismodel en de Oorsprong van de mens.

 

Het gaat hier om de tijd vanaf Noach, de Babylonische spraakverwarring en daarna. In plaats van Genesismodel zouden we ook van het Babelmodel kunnen spreken. Het een en ander is natuurlijk grotendeels hypothetisch, zo niet speculatief. Daar hoef ik me echter niet voor te gene­ren, want de interpretaties van het evolutiemodel zijn dat evenzo. Naar verantwoord wetenschappelijk gebruik mogen er hypothesen bedacht worden, mits maar enigszins aangegeven wordt waar getoetst kan worden. Goede, op een wetenschappelijk model en of historische gegevens berustende hypothesen moeten onbekende gegevens kunnen voorspellen. Als de voorspellingen bewaarheid worden, kunnen dat bevestigingen zijn voor de hypothesen.

Op die voorzichtige wijze wil ik u de gegevens presenteren.

 

De ‘out of Africa theory I en II’ is de meest aangehangen (evolutionistische) hy­pothese, die staat tegenover de multiregionale hypothese dat overal op de wereld de 'moderne mens' is voortgekomen uit Homo erectus, die zich eerder over de wereld had verspreid. Pleitend voor die laatste hypothese is de aanwijzing dat de oorspronkelijk bewoners van Australië 'nog' veel kenmerken hebben van de Javamens (H. erectus), maar dat wordt ook aangevochten. Hieronder is de migratie vanuit Afrika weergeven. (illustr. uit R. Lewin De Ontwikkeling van de moderne mens (Nat. & Techn. Wetensch,. Bibl. 45 1996)

Tekstvak:  Deze heeft volgens het evolutiemodel tenminste tweemaal plaatsgevonden: Rond 1.000.000 jaar geleden Homo erectus/ergaster en rond 100.000 jaar geleden Homo sapiens.

De dateringen zijn voornamelijk op grond van faunacorrelatie (m.b.v. de evolutiestadia van fossie­len), gecombineerd met voor H. erectus voorname­lijk de radioactieve Kalium-Argon methode en voor H. sapiens gecombineerd met de koolstof 14 methode. Er is echter een uniformitarische (zie eindnoot*) kloof in de dateringen tussen zo’n 200.000 jaar en 40.000 jaar, waarin er geen radioactieve methode be­schikbaar is om hier getallen voor te berekenen (Lubenov). Juist in deze periode zou de overgang van erectus naar sapiens heb­ben plaatsgevonden volgens het Multiregionale Model, de tegenhanger van het Out of Africa II model.

Tekstvak:  Tekstvak:  De promotie van de oermens gaat onverdroten door en de reconstructie van de Dmanisi vondst siert de cover van het national Geographic num­mer van augustus 2002. Niet alleen komen de fossielresten, de werktuigen overeen met de Oost Afrikaanse vondsten, ook de sedimenten van vulkanische oorsprong lijken op elkaar. Is het een schedel van een mens met zeer kleine hersenen?

Volgens het artikel zet de vondst het evolutie model (Out of Africa I) zelfs op z’n kop, want het werd niet voor mogelijk gehouden dat H. erectus al zo vroeg Afrika verlaten had.

Volgens het Genesismodel is deze vondst een afstamme­ling van de vroege mensheid van niet lang na de Zondvloed, die Afrika nog niet had betreden.

 

Sinds 1991 zijn in Dmanisi, Georgië, fossielen gevonden van tot nu toe ± zeven individuen, unifor­mitarisch gedateerd op ± 1,75 miljoen jaar oud, even ‘oud’ als de H. erectus/ergaster vondsten in Afrika. Dateringen, ook binnen het Evolutiemodel, zijn cruciaal, want is het nu ‘Out of Africa’ of ‘Out of the Kauka­sus’? (o.a. National Geographic aug.2002)

Tekstvak:  Dmanisi is een oeroud kruispunt langs de zijderoute door de Kaukasus. Een kruispunt van drie con­tinenten.

Volgens het uniformitarische evolutiemodel had Homo erectus zich een miljoen jaar geleden over heel Eurazië verspreid, afgeleid uit de fossiele resten en stenen werktuigen. (Bovenste rij 'choppers' (hakmessen); onderste rij 'flakes' (snijmessen), zoals ook gevonden bij Dmanisi (uit Brandt 2000))

 

Nauwkeurige dateringen?

(gedeelte uit H.R. Murris Bijbel & Wetenschap 224, dec 2000)

De wieg van de mensheid moet in Africa hebben gestaan, want daar worden de oudste dateringen 'gevonden'. Deze nieuwe vondst bij Dmanisi is 'maar' 0,1 miljoen jaar jonger berekend dan de vondsten in Oost Afrika. Maar de gebruikte ra­diometrische K-Ar methode is eigenlijk niet nauwkeuriger dan plus of min honderdduizend jaar! De getallen die in het National Geographic artikel genoemd worden geven nu ook weer geen duidelijk uitsluitsel: Eerst was de onderliggende basalt op 0,53 ± 0,02 Ma (miljoen jaar) gedateerd, maar opvolgende studies gaven een K-Ar datum van 1,8  ± 0,1 Ma en een Ar-Ar iso­chrone datum van 2,0  ± 0,1 Ma. De overeenkomstige palaeomagnetische gegevens (richting van het aardmagnetisch veld vastgelegd in het gesteente) + faunacorrelatiegegevens (maakt gebruik van de evolutie van de gevonden fossiele diersoorten) + de vele ter plekke gevonden stenen werktuigen van de Oldowan cultuur, die bekend geworden is van de Olduvaikloof in Oost Afrika leidden tot de 'ouderdom' van 1,77 - 1,95 Ma.

 

Overigens maakten de mensen van de Pitjendadjara stam, Australische aborigines, nog eenvoudiger werktuigen. Er werd zeer weinig aandacht aan deze 'weg­werp' stenen werktuigen besteed, maar ze konden er mee overleven in de barre woestijn omstandigheden van Australië. (Brandt 2000 p. 89)

Er wordt wel kritiek op de dateringen door andere onderzoekers geleverd. Zij stellen dat de datering niet hoger kan zijn dan 1 miljoen jaar. Eerlijk gezegd komt het hele dateringsverhaal helemaal niet overtuigend op mij over. En dan heb ik geen creationistische kritiek, die de hoge datering a-priori zou verwerpen. Het grote publiek hoort alleen maar de steeds weerkerende miljoenen jaren in de diverse TV documentaires. Gewoon hersenspoeling.

Fundamentele kritiek op de evolutionistische aannamen en vooronderstellingen rond de dateringsmethoden zijn o.a. te vinden bij Lubenov, die het door evolutionisten zelf ervaren probleem op de korrel neemt van de ondateerbare kloof tussen de Radio-Koolstofmethode (bereikbaarheid volgens evolutionisten van het heden tot 40.000 jaar) en de Kalium-Argon, die pas iets kan meten als het 200.000 jaar oud is: Een kloof van zo'n 150.000 jaar, waarin meer dan de helft van alle oude Homo sapiens en Homo neanderthalensis fossielen zitten evenals een belangrijk deel van de Homo erectus vondsten. Juist de periode, waarin evolutionistische onderzoekers de overgang van H. erectus naar H. sapiens aannemen. Het is niet te dateren!

 

Ik vraag me al jaren af, waarom palaeo-anthropologen toch zulke enorme tijdspannen aannemen, of tevreden zijn met zulke onnauwkeurige dateringstechnieken als het gaat om de geschiedenis van de mensheid in de prehistorie. Is het realistisch dat een groot soort gewerveld organisme er honderdduizenden jaren over doet om van het ene naar het ander continent te migreren? Als bioloog weet ik dat die migratie veel sneller (wel duizend maal) gaat. Dat moet zeker voor de mens opgaan, met z'n onderzoekende instelling. Laat staan de klimaatveranderingen over zo'n tijdsperiode in een wereld vol met kleinere en grotere catastrofen, zoals wordt aangenomen in het Genesismodel. Als het milieu te wei­nig te bieden heeft gaat een mensengroep toch wegtrekken?

 

Tekstvak:  Onderstaande figuur is een soort matrix, waarin alle kenmerken van de drie hoofdtypen van de mens onderschei­den en gemixt zijn weergegeven: Drie overlappende cirkels symboliseren de drie hoofdvormen van de fossiele en huidige mens. Iedere hoofdvorm heeft z’n eigen karakteristieke eigenaardigheden die wellicht op een beperkt aantal genen berusten. Het is mogelijk dat enige genen zijn verdwenen. De oorspronkelijke bewoners van Australië hebben echter (‘nog’) Neandertaloide- Homo erectus kenmerken. Wat het Multiregionale model voor de menselijke evolutie als bevestiging ziet van de opvatting, dat de verwantschap met de Java mens (H. erectus) aantoonbaar is. Ook is mogelijk dat het milieu en het voedsel bepaalde kenmerken sterker heeft beïnvloed dan andere kenmerken. (oa Bijbel & Weten-schap 170, 1994, gemodificeerd naar Stringer, 1985 een vernieuwde versie: Junker & Scherer: Evolution, ein kritisches Lehrbuch 2000) Er kan worden opgemerkt dat ze elkaars tijdgenoten, ook in uniformitarische zin,  kunnen zijn. Genetisch zijn er eigenlijk geen moeilijkheden om al deze mensentypen of soorten te zien als het ene Basistype Mens. De bijzondere eigenschappen (Beeld Gods, Geest, Ziel en Lichaam, etc.) welke de mens onderscheidt van de dieren, fossiliseren niet, behalve de uitingen van de mens in werktuig- kunst- woon- vuurplaatsen etc. gebruik.

 

Nieuwe dateringen leiden tot verandering van hypothesen.

(R.Lewin, 1996 N&T WB 45 p.93)

Tot 1985 meende men dat Neanderthaler-populaties (licht: Amud, Tabun, Kebara) in het Midden-Oosten ouder waren dan de ‘moderne’ populaties in dat gebied (donker) en dus als voorouders konden worden beschouwd.

Tekstvak:  Andere dateringstechnieken (oa thermo-luminiscentie) kwamen op een lagere datering uit voor oa Qafzeh: de voorouderrelatie werd twijfelachtig. Nog ‘nauw-keuriger’ datering gaf aan dat mensen met een ‘moderne’ schedel tijd-genoten waren van de Neanderthalers.

(Lewin, 1996 N&T WB 45 p.93)

Vergelijken we deze gegevens met het Genesismodel-Babelmodel, dan zijn ze daarmee in (voorspelbare) overeen-stemming. Een andere voorspelling is, dat dit uiteindelijk ook gevonden zal worden voor de H. erectus/ergaster vondsten, mits de dateringen uit hun vooronderstellingen getild worden.

 

De oorsprongsvisie, overeenkomend met Genesis.

De figuur hieronder is het Genesismodel voor de oorsprong en afstamming van de mens, zoals ongeveer is voorgesteld door F.L.Marsh (jaren veertig). Elke lijn stelt een verwantsschapslijn voor. Als lijnen (lopend van onder naar boven) elkaar ontmoeten betekent dat er vermenging en genenuit­wisse­ling heeft plaatsgevonden. In het matrixmodel (zie boven) is het echter heel goed mogelijk, dat de mensen van de drie hoofdgroepen genenuit-wisseling hebben gekend, wat hier niet is aangegeven. Wanneer is genenuit-wisseling mogelijk? Als mensen in dezelfde tijd leefden en in hetzelfde gebied. Mensen neigen naar vestiging als de omstandigheden gunstig zijn, maar onder slechter wordende condities zullen ze verhuizen of verder trekken.

 

Tekstvak:  Zeer beperkte genenuitwisseling kan binnen het Genesismodel ook mogelijk zijn. Tenslotte is de mensheid door een 'population bottle neck' (zie later) gegaan en na de Babylonische Spraakverwarring zijn gezinnen ook weggetrokken uit de hoofdpopulatie, die toen was ontstaan in de vlakte van Sinear (Genesis 11:1-2). Kleine populaties staan sterk onder invloed van het toeval, waar het genendoorgifte aan volgende generaties betreft. Dit staat bekend als Genetic drift: door toeval sterke wijziging van genfrequenties. In onze ogen ‘afwijkende’ uiterlijken kunnen zich zo binnen een kleine populatie uitbreiden als zonder genenvermenging de populaite groeit en verder migreert. Catastrofale gebeurtenissen zullen die (e)migratie sterk bevorderd hebben. Vergelijk de tochten van de aartsvaders als er ernstige droogte was (Genesis 12 en 42 e.v.), maar niet alleen zij migreerden! Ook andere mensen en dieren.

 

Even terug naar wat er op het moment in de officiële paleoanthropologie omgaat.

Zijn er ontwikkleingen, die de opvattingen van het Genesismodel sterker ondersteunen? Zijn de door uniformitarische evolutionisten gedateerde vondsten afkomstig van de eerste ontdekkingsreizigers?

Tekstvak:  Dmanisi lag in die tijd (uniformitarische datering 1,8 miljoen jaar) op een soort schiereiland tussen Zwarte en Kaspische Zee, een van de landbruggen tussen Europa, Afrika en Azië, aan de rand van het Midden-Oosten. (National Geographic aug.2002) Zuidelijker dan links is afgebeeld lag Oost-Afrika met de ‘vele’ vindplaatsen van Hominiden, een duidelijk verband suggererend. Ubeidya is een beroemde plaats waar ook fossielen van de 'vroege mens' zjn gevonden.

Maar wat was nu eerder bewoond? Het Midden-Oosten of Oost- of Centraal-Afrika? De vondsten van Dmanisi zouden het ‘Out of Africa I model’ kunnen aanvechten. In het kaartje hiernaast is door mij (HRM) de plek van de Ararat ingetekend, niet om te suggereren dat deze gevens overeenkomen met de trektocht vanuit de Ark van Noach. De nakomelingen van het gezin van Noach zijn m.i. veel eerder naar de vlakte van Sinear afgedaald (Genesis 11) en pas ‘na Babel’ zijn hier deze ‘primitieve of extreem aangepaste’ mensen als H. erectus/ergaster hier in de Kaukasus gekomen, geschikt om te overleven of mogelijk zelfs daarheen verdreven. (Neem notietie van de evolutionistische namen: erectus = rechtopgaande, alsof de mens ooit niet rechtop ging!, ergaster = de werkende, alsof de mens ooit niet werkte!)

 

Genesismodel (I) van de oorsprong & verspreiding van de mensheid.

(zie het samengestelde schema hierna (gewijzigd naar Scherer 1991)) De populatie van de mensheid, die ontstaan is uit Adam & Eva en hun kinderen, is volledig verdwenen door de catstrofe van de zondvloed (‘grote vloed’) op het gezin van Noach na, dat uit acht personen bestond en genade gevonden had in God’s ogen. (Genesis 6:8).

Tekstvak:  Hypothese van het Genesismodel voor deoorsprong en verspreiding van de mensheid na de Zondvloed. (Een onderdeel van het creatiemodel, samenhangend met een catastrofen-submodel) In het schema zien we alle ‘soorten’ mens, zoals: Homo Erectus/Ergaster/Rudolphensis. E-Af = Afrika, E-vA = verre Azië, zoals Java, S = China, Neanderthaler = N-E, Archaische Homo Sapiens = A-Af (Afrika), A-Mo (MiddenOosten), A-Az (Azië), M = Moderne mens (Homo Sapiens sapiens), etc. De Starter Populatie (SP) bestaat uit 8 individuen (8i).

Wat hier voor de mens geldt (de populatie bottleneck), geldt natuurlijk ook voor allerlei andere soorten organismen (Basistypen!), in het bijzonder de landdieren, maar ook de planten.

 

De biologische gevolgen moeten enorm geweest zijn (en niet alleen voor de mensheid!): de grootte van de populatie nam verschrikkelijk af: een ‘bottleneck’ gebeurtenis, waardoor de variatie aan genotypen enorm slonk.

Genetic drift moet het gevolg zijn geweest: door toeval verlies aan vele genen en

genencombinaties. Dat is niet direkt aan het uiterlijk (fenotype) van de ‘founding population’ (SP = Start-Populatie) te zien geweest. In de na hen komende generaties echter kunnen vele ‘vreemde’ nieuwe combinaties zijn voortgekomen in onvermoed hoge frequenties.....

 

Van de StartPopulatie (SP) na de zondvloed worden velen bij name genoemd, vaders van volken (Gen. 10). Hoe al die volken er in het begin uitgezien hebben weten we niet. Eerst waren ze een van spraak en klitten bij elkaar (toch angstig(?) voor het (kosmisch?) geweld dat ze net beleefd hadden bouwden ze een toren of ‘ziggurat’. Mogelijk wilden ze deze bouwen om de hemelen ‘in de gaten’ te houden).

God verwarde daar de talen en zeer veel mensen trokken van Babel weg uit de vlakte van Sinear (Gen. 11). Nadat m.i. de mensheid door de genetic drift al in de startpopulatie vele nieuwe en ook extreme genotypen en fenotypen voort had gebracht, trokken ze met hun families weg, waardoor weer minder genenuitwisseling zorgde voor nieuwe genetic drift

(inteelt) met meer voor ons onvermoede variaties en mogelijk extreme fenotypen als resultaat. M.i. dé oorzaak van het ontstaan van de diverse menstypen. 

Voor de mensheid en alle andere organismen zijn de biologische-genetische gevolgen van de ‘zondvloed-bottleneck’ zeer groot geweest. Er stierven nog heel wat (extreme) typen uit door de verarmde genetische mogelijkheden. Natuurlijke selectie is enorm geweest. In catastrofale omstandigheden kunnen ook families (menstypen) zijn ontstaan, die extreme milieuomstandigheden konden overleven, zoals Neanderthalers een ijstijd., en m.i. Homo erectus heftig vulkanische gebieden.

 

Vulkanische gebieden wieg van de mensheid?

Op een kaart uit een Bosatlas zijn de vulkanische gebieden (die aan het oppervlak liggen) rood weergegeven. Die vulkanische gebieden in Afrika zijn vaak de plaatsen waar de meeste hominide fossielen worden gevonden. Maar daar woonden niet de grootste populaties, al waren daar wel de beste condities voor fossilisatie. Enerzijds door de catastrofale omstandigheden dat individuen omkwamen en anderszijds dat ze ‘ideaal’ konden fossiliseren in de vulkanische tuffen, evenals bijvoorbeeld de menselijke voetsporen bij Leatoli.

De grootste tegenwoordige populaties leven in kustgebieden, maar fossiliseren daar nauwelijks. Ik vind het nogal prematuur (zelfs als ik zou geloven in een uniformitarisch model van de mensheid, zoals door de huidige palaeanthropologie wordt voorgesteld), om vulkanische gebieden, waar veel geologische activiteit is als ‘wieg’ van de mensheid te zien. Omdat je daar de fossielen vindt? In de kustgebieden vind je wel bouwwerken, eventueel verzonken. De datering van vulkanische gebieden lijkt ‘een eigen leven te leiden’: Meteen honderdduizenden jaren, ook maar voor handelsroutes voor stenen werktuigen en uiterst trage migratiepatronen....... bij gebrek aan geschreven bronnen.......

 

Tekstvak:  Een scheur in de aardkorst?

De Great Rift Valley (Grote Slenk) is een litteken van 10.000 km lengte van Syrië tot in Zuid Afrika. Deze scheur of barst in de aardkorst is omgeven door vulkanen, de meesten uitgedoofd. Een getuigenis van een  kosmisch gebeuren zoals een ‘near miss encounter’ met een groot, langs de aarde zeilend hemellichaam? Door enorme getijden-werkingen dit resultaat, inclusief vulkanisme en ander catastrofale effecten tot gevolg hebbende? Of zijn er ook impactverschijnselen waarneembaar?

 

Uniformitarisch is het Tertiair en laat Tertiair, overigens liggend op PreCambrische gesteenten.

Plaatselijk is de verzakking (slenk) 500-700 meter diep, t.o.v. de wand (horst) en 70 - 1500 km breed. Dit gebied is de ‘goudmijn’ voor de palaeoanthropologie geweest tot op heden, al worden er tegenwoordig vergelijkbare delen van de wereld ook succesvol onderzocht, zoals in Georgië, Dmanisi.

Tekstvak:  Hieronder links de Kilimandjaro, hoogste berg van Afrika, 5890 meter hoog, met eeuwige sneeuw bedekt, vrijwel op de evenaar. Er tegenover Mount Meru, 4600 m. hoog. Beide bergen zijn (nu vrijwel inactieve) vulkanen. Andere vulkanen zijn nog steeds actief, zoals de 3600 m. hoge Lemagrut.

Daaronder zien we de Olduvai kloof vanuit de lucht, mini Grand Canyon, max. 90 meter diep en 40 km lang. Vier hoofdpakketen van vulkanische tuffen, met daar-boven twee dunnere lagen. De onderste Tuflaag is met K-Ar op ongeveer 2 miljoen jaar gedateerd. De bodem van de kloof bestaat uit Continentaal Stollingsgesteente (PreCambrium?)

Tekstvak:  Het hele gebied ‘ademt’ de bevroren woestheid van een catastrofaal landschap. Hominiden (evolutionistisch palaeanthropologische verzamelnaam van Australopithecus en andere ‘mensachtige’ apen en ‘voormensen’) die hier overleefden en/of terug keerden werden steeds opnieuw geconfronteerd met de vulkanische woestheid.

Volgens het Genesismodel zijn deze aardlagen snel met tussenpozen van hooguit enig honderden jaren ontstaan en niet in honderdduizenden.

De Olduvaikloof vormt een ontsluiting in die aardlagen, die er nog niet was toen de ‘hominiden’ er leefden. Vrijwel op de bodem zijn er ook menselijke sporen gevonden, zoals resten van een hut met vuilnisbelt, een jachtbuit, echter toegeschreven aan de hominiden i.p.v. aan echte mensen, omdat die er evolutionair nog niet konden bestaan.

 

Impactstructuren, impactsporen en de ‘vroege mens’.

Tekstvak:  De Arizona crater is wereldberoemd, maar het heeft lang geduurd voordat deze structuur werd toegeschreven aan een inslag van een reusachtige meteoriet. Pas door het niet aflatende werk van Shoemaker wordt nu veel meer naar de geologische effecten gekeken en gezocht. De tijd van ‘the New Catstrophism’! (Zie ook het boek van Walter Alvarez: T. rex and the Crater of Doom, Nederlands: T. rex en de krater des doods, 1999) De leeftijd wordt nog wel uniformitarisch op zeer oud geschat….hoe lang nog? De twee kraters hierboven zijn foto’s van de grote krater ‘Tycho’ op de Maan, links m.b.v. een telescoop op aarde, rechts m.b.v. een van de maanverkenningsvaartuigen. De krater ziet er zeer vers uit, maar toch uniformitarisch oud, hoewel ‘uniformitrarisch recent’ mogelijk 20 miljoen jaar oud. Het is echter mogelijk dat een Chinese legende (AD 900) teruggaat op oudere menselijke waarnemingen, die van deze inslag op de Maan gewag maken.

 

Tektieten te vinden in een groot strooiveld van Australië t/m India.

Tekstvak:  Tektieten afkomstig van impacts? De tektieten, glazige gesteente-druppeltjes, neergeregend als mini-meteorieten, mogelijk afkomstig van een impact van een groter kosmisch object. Deze tektieten  hiernaast zijn gevonden in Australië en vormen een deel van de ‘Tektite puzzle of tektite paradox’: De aardlaag, waarin ze gevonden is, wordt gedateerd op duizenden jaren, de tektieten zelf op miljoenen jaren. (Meer info als u ‘tektites’ als trefwoord op WWW intypt)

In Azië (India) worden ze veelal ‘maanstenen’ genoemd, met een mogelijke verwijzing naar de oude legende. Zijn de tektieten afkomstig van een in historische tijd opgetekende gebeurtenis?

Als tektieten genoeg voorkomen, duiden ze op een flinke tot grote inslag met mogelijk grote catastrofale gevolgen. Maar dan kunnen ze die inslag ook dateren, in ieder geval relatief ten opzichte van ander gebeurtenissen. Als afgestapt wordt van uniformitarische methoden kan er archeologisch en historisch mogelijk meer ontdekt worden.

Tekstvak:

Hiernaast een impact-voorstelling, waarbij veel materiaal de ruimte ingeslingerd wordt en (terug) valt op aarde en deels tot  de glazen druppeltjes, de tektieten smelt.

 

Tekstvak:  Hieronder een analyse van tektieten, vergeleken met maangesteente. Mogelijk een aanwijzing of methode om vast te stellen of de tektieten van de maan komen of niet. (W.A. Cassidy et al (1969):

 

Er is een tektietenhorizon gevonden, waaronder en waarboven resten van H. erectus (Javamens) zijn aangetroffen bij Sangiran op Java. Dit is de achtergrond van de huidige ‘datering’ van H. erectus op ± 1 miljoen jaar. Is H. erectus getuige geweest van de inslag op de Maan? En zich daarmee parallel ‘daterend’ aan de Chinese legende? Dat zou pas een ‘impact’ zijn. Een impact in de palaeoanthropolgie wel te verstaan! Het geheel past echter wonderwel in het Genesismodel! (Fig1. uit Langbroek en Roebroeks, 2000, linksonder)

Tekstvak:  Tekstvak:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tektieten dateren Javamens?

Onder de loep (vorige pagina, rechtsonder) het detail uit de statiegrafische schets van vorige pagina met dateringen van Java. (Langbroek en Roebroeks, 2000: Extraterrestial evidence on the age of the hominids from Java. Journal of Human Evolution 38, p. 595-600) Tekstvak:  De ‘tektieten horizon’ is uniformitarisch op 800.000 jaar bepaald, De onderste strata met H. erectus aanwijzingen staat ‘traditioneel’ op 1 miljoen jaar. Uniformitarische dateringen nemen globaal 20 cm aardlaag in 5000 jaar. Ze houden geen rekening met catastrofen of perioden met heftige vulkanische activiteit, waarin aardlagen in hoog tempo kunnen worden afgezet. Java is een en al vulkanische activiteit, ook in het verleden terug te vinden in de ‘tuffen’. Ook dit landschap is als elders, zoals Oost Afrika en de Kaukasus, waar H. erectus wordt gevonden ,vulkanisch van aard. De foto hierboven is van de Olduvaikloof.

Dit landschap is ook goed te vergelijken met de 'proeftuin' van Mount St. Helens, waar de lagen in enkele jaren gedateerd zijn en niet in honderdduizenden. Het gedeelte van deze foto is het zogenaamde bed I, wat uniformitarisch in zo'n 300.000 jaar moet zijn gevormd.

 

Afstand en verschillende datering?

Binnenlandse vulkanische gebieden en kustgebieden langs de continenten lijken totaal verschillend en lijken ook totaal verschillende dateringen op te leveren. In hoeverre is er sprake van een systematische fout, ook in ‘traditioneel’ uniformitarische zin?

 

Links, binnenland:

In het vulkanische binnenland zijn aardlaagpaketten dikker en bestaan meer uit primair en secundair vulkanische sedimenten. Hier wordt veelvuldig K-Ar datering toegepast, naast de faunacorrelatie (datering m.b.v. (het tempo van) de evolutie van organismen), waarbij tot nu toe de faunacorrelatie het minst betwijfeld wordt.

 

Rechts, kust:

In lager gelegen kustgebieden zijn er meer andere aardlagen, bijvoorbeeld riviersedimenten en zeesedimenten, dus naar hun oorsprong verschillend. De K-Ar methode kan nu niet gebruikt worden en worden andere mogelijkheden gezocht, maar nog meer op faunacorrelatie geleund. Dat rechtvaardigt uniformitarisch dan tot een jongere datering?

 

De evolutionistische superpositiebepaling is door manipulatie van de hierboven weergegeven illustratie op de volgende pagina. Daaronder de voorgestelde ‘volgorde’ voor het Genesismodel. De poging om aardlagen van verschillende gebieden op grond van hun fossiele fauna tot één geologische kolom samen te voegen. Hier worden de fossiele resten van de mens zelf als gidsfossielen benut. Hoe ‘primitiever’ het uiterlijk, hoe ouder. dit is de kern van de faunacorrelatie: de evolutievolgorde zelf wordt gebruikt voor de datering. De evolutievooronderstelling zelf is de ‘geijkte klok’. De twijfelachtige dateringen worden eerst in een grote groep deskundigen van het vakgebied (dus geen creationisten of catastrofisten!) besproken en er vormt zich dan een consensus over de datering. Soms komen nieuwe gegevens aan het licht, die de boel op z’n kop zetten (zie R.Lewin, 1996 N&T WB 45 p.93, pag 32) met vaak veel emotionele heibel.

Hieronder zien we de aardlagen van kust en binnenland volgens het evolutiemodel, gecorreleerd tot één geologische kolom (HRM).

Tekstvak:

Holo- en Pleistocene kust- en laagland- en binnenlandgebieden.

 

 

Miocene en pliocene vulkanische hooglanden en binnenlanden.

De gebruikte methode hiervoor is faunacorrelatie in combinatie met radio-actieve bepalingen.

 

 

 

Tekstvak:  Hiernaast zien we hoe het plaatje eruit komt te zien in het Genesismodel.

Aardlagen worden met elkaar gecorreleerd met in achtneming van de verschillen in situatie en gebeurtenissen.

Gevolg: diverse menstypen zijn tijdgenoten van elkaar, maar leefden in verschillende (catastrofale) milieus.

 

 

Aardlagen op de keeper beschouwd.

Tekstvak:  Als we de bescheiden vrijheid nemen de aardlagen van verschillende gebieden eens niet evolutio­nistisch en/of uniformitarisch te bekijken, dan komen we mogelijk tot heel ander conclusies, wat de dateringen betreft. Als we vervolgens catastrofale gebeurtenissen kunnen lokaliseren en (historisch) dateren, dan kunnen we mogelijk duidelijk aantonen dat de verschillende mensentypen of rassen van het ene Basistype Mens elkaars tijdgenoten waren.

Mogelijk waren ze niet elkaars plaatsgenoten, maar dat kan later ook nog blijken. Zoveel fossielen zijn er niet gevonden. In ieder geval bestaat de mogelijkheid om het gehele veld van evolutionistische paleoanthropologische lite­ratuur eens met andere ogen te bekijken, evenals allerlei mythen en sagen uit de oudheid en vooral het Oude Testament.

Nog een interessant gegeven met betrekking tot de fossiele schedels, vergeleken met de schedelvolumes van de huidige mens (uit Junker en Scherer: Evolution, Ein kritsisches Lehrbuch (1998)): Er is een verband gevonden tussen schedel inhoud en geografische breedte. Hoe Noordelijker, hoe grotere schedelinhoud: dat heeft te maken met de warmtehuishou­ding van het lichaam. Ook bij dieren is dit verschijnsel aan te treffen en is verklaarbaar door na­tuurlijke selectie. Als de verhouding lichaamsoppervlak / lichaamsvolume gunstig is voor koude gebieden, wil dat zeggen dat het warmte vasthoudende volume groter is dan het warmteverliezend oppervlak.

Voor het beschermen van de hersenen heeft een groter schedelvolume dus een voordeel. Een groter volume wil echter nog niet zeggen, dat het denkvermogen dan ook groter is. Uiteinde­lijk worden er slechts zo'n 10 gram(!) echte zenuwcellen gebruikt voor al onze hersenfuncties. Het overige weefsel is isolatie (vet), bloedvaten, met vocht gevulde holten. Treffend is nu dat de schedelinhoud van de fossiele mens dit patroon ook volgt: Hoe hoger de geografische breedte, hoe groter schedelvolume. Neanderthalers hebben zelfs een grotere schedelinhoud als de huidige Noor­delijke Europeanen. Homo erectus / ergaster zit er echter duidelijk onder, maar die leefde dan ook op warmere geografische breedten. In de extreme perioden vlak na de zondvloed zal de natuurlijke selectie z'n tol zwaarder hebben geëist dan in onze tijd met ons eigen gemaakt comfort. In die zin is het niet vreemd, dat er 'knoestiger' mensentypen zijn geweest, juist in deze gebieden.

 

Tekstvak:  Tekstvak:  Tot slot een foto van de gefossiliseerde voetstappen van een volwassen mens met twee kinderen in Leatoli. Het ene kind liep achter de volwassene en stapte in zijn sporen. Iets typisch menselijker kan bijna niet (rechts). (uit De Evolutie van de Mens, Natuur & Techniek 1981)

Evolutionistisch gedateerd op 3,2 miljoen jaar en geïnterpreteerd als toebehorend aan een rechtop lopende Australopithecus, want echte mensen konden toen nog niet bestaan. Eigenlijk is dat heel erg. Want waarom zou dit de enig geldige wetenschappelijke verklaring zijn? Inderdaad zijn er geen menselijke skeletresten gevonden en wel Australopitische. Welke voetstappenmaker laat z’n skelet slingeren? Niet een mens, want een ander mens zoekt hem en begraaft hem of heeft een dergelijk verwerkingsritueel als verbranding. Een mens laat z'n voetstappen natuurlijk wel liggen. Dat geldt ook voor sommige 'wegwerpwerktuigen', enzovoort. Dieren als Australopithecus zoeken hun dode verwanten niet om ze te begraven en handelen bijvoorbeeld ook niet in stenen werktuigen.

 

Samenvatting en vooruitblik.

Het Genesismodel gaat uit van de verwantschap en tijdgenoot zijn van alle menstypen. Ze zijn afgestamt van het gezin van Noach na de zondvloed. Door genetic drift, versterkt na de Babylonische spraakverwarring, kregen voor ons ‘afwijkende’ vormen kansen in extreme gebieden, zoals er vele streken waren met heftige vulkanische verschijnselen, als nawerkingen  van de vloed. Natuurlijke selectie en vestiging in bepaalde gebieden zal in eerste instantie een zware invloed hebben gehad.

Er zijn aanwijzingen van impact-gebeurtenissen, die mogelijk gedateerd kunnen worden in het tijdframe van Genesis en latere Bijbelboeken. Het is de moeite waard oude mythen en legenden te screenen op impactverschijnselen, zoals de maanstenen die mogelijk gecorreleerd kunnen worden aan zo’n impactgebeurtenis op de Maan. Homo erectus op Java heeft een impactgebeurtenis meegemaakt, getuige de tektietenhorizon op Java. De herdatering van de uniformitarische-evolutionistsiche ouderdommen zal veel inspanning vergen

Zoals de verschillende zondvloedmodellen, die zijn gepresenteerd op 26 oktober, proberen vast te stellen wat de oorzaken en krachten zijn geweest voor de catastrofe en vervolgens proberen na te gaan wat nu tot de sedimenten van de zondvloed behoort en welke lagen post-zondvloed zijn. Zo kan dit Genesis-Babel model vanaf de andere kant terug werken naar wat het einde markeert van de zondvloed. Dat is een andere benadering. Tenslotte kwam Noach met de hele levende have uit de Ark en liep op een postzondvloed ondergrond. Al zouden elders op de wereld allerlei gevolgen van de zondvloed nog in volle gang zijn, naast mogelijke nieuwe catstrofen, veroorzaakt door aardverschuivingen, nog meer impacts etc. Het is de moeite waard allerelei historisch-mythologisch materiaal van diverse volken en culturen door te spitten om hier meer duidelijkheid over te krijgen. Daarnaast is veldonderzoek, of literatuuronderzoek daarover, nodig om de nieuwe hypothesen op los te laten etc.

 

eindnoot*):

Uniformitarisch is van uniformiteitsprincipe afgeleid. Een uniformitarische datering gaat uit van het actualisme, gekoppeld aan het hedendaags tempo van aardlaag vorming, ruwweg 20 cm per 5000 jaar. Het actualisme gaat uit van 'the present is the key to the past", wat betreft de natuurverschijnselen en wetmatigheden: Wat we in het heden kunnen bestuderen aan de natuurwetten, fysisch en chemisch, moet ook hebben gegolden voor het verleden. De sporen van gebeurtenissen in het verleden moeten (dus) kunnen verklaard worden door de verschijnselen in het heden te bestuderen. Wat de meesten echter niet beseffen is dat het catastrofisme ook actualaistisch is. Alleen het tempo van het uniformitarisme is geheel anders, inherent aan de grotere schaal van catastrofale gebeurtenissen. In het heden zijn er echter inderdaad catastrofale verschijnselen bestudeerd, zoals de impact van de komeet Shoemaker-Levy op Jupiter in 1999. Het effect op de uniformitarische datering van grote delen van de ‘geologische kolom’ zou toch in de toekomst moeten doordringen tot de ‘klassieke’ geologen!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Aangehaalde) literatuur:



Ambitieus plan van Kees-Jan van Dam:

 

Strategisch plan: door … een Gideonsbende?

 

1982:

·        100 jaar geleden Darwin †1882

·        Expositie Blijdorp “Evolutie 100 jaar na Darwin”

·        Ook een stand over “Evolutie of Schepping?” (EH)

Tekstvak:  Tekstvak:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tekstvak:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2002:

·        26 oktober

·        Urk

·        Christendenkers en –wetenschappers buigen zich over wereldmodellen.

·        Wat willen zij?

·        Waarheen willen zij?

·        Wat zijn zij …                           … een Gideonsbende?

 

2009:

·        150 jaar geleden publicatie Origin of species Darwin (1859)

·        200 jaar geleden geboorte Darwin (1809)

·        Wereldwijde aandacht voor Darwin en evolutie

·        Ook een “stand” over Evolutie of Schepping?         Of …?!

Tekstvak:  Tekstvak:

 

 

 

 

 

 

Tekstvak:

 

 

 

 

 

 

Tekstvak:

 

 

 

 

Tekstvak:

 

 

 

 

 

 

 

Plan:

Voorlichtingscampagne Wereldkatastrofemodel in 2007 “125 jaar na Darwin”:

·        Gideonsbende presenteert het Wereldkatastrofemodel.

·        Wetenschappelijk volwaardig alternatief voor het Evolutiemodel

·        Op internet enz.

·        Aandacht in de media

·        Organisatoren Darwinjaar 2009 kunnen niet om dit model heen.

 

Mogelijk tijdpad naar 2009:

 

Wat dit betekent:

 


 

Evaluatie van de lezingen.

 

Discussie n.a.v. de lezing van Hans Hoogerduijn.

     

1.      ‘runaway subduction’                                                                                                      Het spectaculairste deel in het zondvloedmodel dat Hans verdedigt, is het ‘runaway subduction’ mechanisme. Je kunt met dit mechanisme in grote lijnen veel geologische verschijnselen (van het Precambrium t/m het Krijt) op een samenhangende manier verklaren – zoals Hans in zijn lezing heeft laten zien. Toch blijven er veel vragen over. Zo is het moeilijk om je voor te stellen, hoe de ark ooit het impactgeweld, dat dit mechanisme in gang zette, heeft overleefd. Want we treffen in het Paleozoïcum (dat zijn volgens het Zinkende Titanic Model (= ZTM) de zondvloedafzettingen) zo’n 50 continentale kraterstructuren (met diameter groter dan 1 km) aan. Tel daar nog 100 impacts bij op, van meteorieten die in de toenmalige oceanen zijn ingeslagen (en waarvan nu niets meer is terug te vinden). Dan valt het enerzijds te begrijpen, dat de oceaanbodems wereldwijd scheurden, instabiel werden en vervolgens in de mantel verdwenen. Maar anderzijds, als we dan weer het natuurgeweld ons indenken, waarmee het ‘runaway subduction’ proces gepaard moet zijn gegaan – de geweldige vloedgolven, aardbevingen, het massa vulkanisme – dan kunnen we ons met recht afvragen, hoe de ark ooit heelhuids die eerste fase van de zondvloed doorgekomen is? Of moeten we hier God als beschermende factor aan het model toevoegen? (Hij was het ook, die de deur van de ark sloot.) Of is dit een ‘God-of-the-gaps’ verlegenheidsoplossing? Dit probleem is overigens niet specifiek voor het ZTM, maar geldt voor elk zondvloedmodel dat uitgaat van een kosmische oorzaak.

 

2.      Hittedreiging: nog leven mogelijk na de Zondvloed?                                                                                                              Het ZTM impliceert, dat tijdens de zondvloed de oceaanbodems gerecycled zijn. Hierbij werden geweldige hoeveelheden kokend hete magma (van 1200 graden Celsius) door oceaanwater gekoeld, zodat er nieuwe oceanische korst ontstond. Hoe lang zal het hebben geduurd voordat een enkele km dikke oceaanbodem was gevormd en hoeveel hitte kwam daar bij vrij? En veranderden de oceanen door de opname van al die warmte niet in kokende watermassa’s?  Dit aspect van het ZTM vormt zeker een bedreiging voor de leefbaarheid van de aardse biosfeer na de zondvloed. Dus: was er, door het vrijkomen van al die warmte uit het binnenste van de aarde, na de zondvloed nog wel leven mogelijk? De rekenmeesters onder ons zouden hier eens wat sommetjes over moeten maken. Hierop vooruitlopend kan wel worden opgemerkt, dat juist water bij uitstek het vermogen bezit om enorm veel warmte op te nemen.

 

3.      Kosmische bombardementen.                                                                                                            Waar komen trouwens die enorme meteorieten vandaan (of waren het kometen?), die de zondvloed in gang hebben gezet? Was de kosmos door God niet volmaakt geschapen? Hoe kan de aarde dan opeens doelwit zijn geworden van projectielen uit de ruimte? Wat was daar dan de oorzaak van? Deze vraag geldt trouwens ook weer voor alle zondvloedscenario’s die uitgaan van een kosmische oorzaak.

 

4.      Voldoende bewijslast voor het ZTM?                                                                                                Het ZTM heeft als theorie een hoge verklarende waarde. Het model stelt ons in staat zowel de volgorde van de fossielen als die van de aardlagen van het Paleozoïcum in grote lijnen te begrijpen. Bovendien kun je vanuit dit model aannemelijk maken, hoe na de zondvloed de Perm en Krijtformaties zijn ontstaan (inclusief hun kenmerkende fossielinhoud). Maar wordt het ZTM door voldoende specifieke waarnemingen ondersteund? Als bewijslast voor het ZTM gelden: a. de koude stukken korst die op de grens van de aardmantel met de aardkern voorkomen, en die als oude afgezonken oceaanbodem kunnen worden geïnterpreteerd (zie ‘Eens was er de zondvloed’, hfst 10, noot 6) en b. de opvallende jonge leeftijd van de huidige oceaanbodem: Jura of jonger; (zie Origins (BCS) no.21, juli 1996, p.10), plus c. het feit dat er op de oceaanbodem relatief weinig sediment ligt dat dan ook nog tot het Mesozoicum en Tertiair wordt gerekend. De punten b. en c. zouden er op wijzen, dat de oceaanbodems in het Paleozoïcum inderdaad gerecycled moeten zijn. Maar nogmaals, vormen deze drie punten, alles bij elkaar, een voldoende bevestiging of ondersteuning van het ZTM?

 

5.      Waar bleef de pré-zondvloedwereld?                                                                                      Volgens het ZTM zijn de continenten aan het begin van de zondvloed door vloedgolven volkomen afgeschraapt. Alles wat voor de zondvloed op de aardbodem aanwezig was werd van de continenten afgespoeld en verdween in het binnenste van de aarde. (Deze hypothese verklaart dus het ontbreken van landbewonende dieren, inclusief vogels in het Paleozoïcum). Maar hoe moeten we ons dat voorstellen? Waar kwamen de flora, fauna, de mensen en hun artefacten van voor de zondvloed dan precies terecht? In dalingsgebieden (troggen of geocynclinalen) binnen de continentale korst? Of in breukzones (slenken of riftzones) tussen de uit elkaar getrokken continenten?

 

6.      Volgorde fossielen in aardlagen adequaat verklaard?                                                                                                        Het ZTM stelt het zo voor, dat de bewoners van de verschillende biotopen, die in de oceanen van voor de zondvloed voorkwamen, globaal genomen, boven elkaar in de zondvloedafzettingen terecht zijn gekomen: bodemfauna kustzone onderop (Cambrium), daarboven bodemfauna diepzee (Ordovicium en Siluur), daarboven vrij drijvende en rondzwemmende fauna (Devoon) en tenslotte de drijvende vegetatiematten (Carboon). Valt het te verwachten, dat in het geweld van de zondvloed, waarbij de oceanen werden omgekeerd en het oceaanwater in mega-vloedgolven over de continenten stroomde, de bewoners van deze milieus zo mooi boven elkaar in zondvloedsedimenten werden afgezet?

 

7.      Voetsporen amfibieën en reptielen.                                                                                                     Bovenstaande punten (behalve no.4) betreffen vooral (subjectieve) moeiten die we hebben om ons de zeer gewelddadige en unieke processen voor te stellen, die zich volgens het ZTM tijdens de Genesis vloed hebben afgespeeld. Logisch, want die gaan onze beperkte huidige ervaringen natuurlijk ver te boven. De volgende twee punten hebben te maken met specifieke vragen over de volgorde van de fossielen in de geologische kolom. Zo vinden we in het Devoon en Carboon voetsporen en fossielen van amfibieën en/of reptielen (onderscheid hiertussen is op basis van skelet en voetsporen niet te maken). Hoe verklaar je deze aanwezigheid vanuit het ZTM?       (Deze dieren worden binnen het ZTM uitgelegd als voormalige bewoners van de       drijvende wouden. Een soort super Sargassozee vegetatie. De hypothese luidt, dat deze vegetatiematten tegen het eind van de Zondvloed op de continenten aanspoelden. Ze werden vervolgens door getijdenwerking en periodieke vloedgolven uit de onrustige oceaan onder kalkmodder bedolven. Op dat moment leefden de amfibieën en/of reptielen waarschijnlijk nog. Dat blijkt uit de voetsporen. Na de vernietiging van hun leefmilieus kwamen ook deze dieren spoedig aan hun eind. We komen hun fossielen daarom dicht bij de voetsporen en ook dicht bij de steenkoolafzettingen, de voormalige drijvende wouden tegen.) Komt dat niet wat geforceerd over om (veronderstelde) bewoners van drijvende biotopen tot het eind van de Zondvloed te laten overleven? (Onvoorstelbaar geweld, geen of zeer weinig voedsel, giftige omstandigheden, etc. gedurende een ruim jaar!)

 

8.      Volgorde vissen, zwemmende reptielen en walvissen.                                                                                        Een ander vraag betreffende de volgorde van de fossielen in de geologische kolom gaat over de verticale verdeling van vissen, zwemmende reptielen en walvissen in de geologische kolom. In het Paleozoïcum komen alleen (kaakloze, gepantserde, been- en haaiachtige) vissen voor, en geen zwemmende reptielen of walvissen. In het Mesozoicum komen wel beenvissen en haaien voor (de kaakloze en gepantserde vissen zijn inmiddels uitgestorven, worden niet meer gevonden in de aardlagen), en zwemmende reptielen (ichthyo-, mosa- en plesiosauriërs), maar geen walvissen. Deze laatsten verschijnen in het Tertiair (Eoceen), maar dan lijken de zwemmende reptielen inmiddels uitgestorven (in het Late Krijt). De vraag is, hoe je deze volgorde kunt verklaren vanuit het Europese zondvloedmodel? (Vanuit het Europees zondvloedmodel -alleen aardlagen van het Paleozoïcum tijdens de zondvloed afgezet - zijn er goede hypothesen te bedenken, om deze volgorde te verklaren. Je krijgt dan de volgende, meest waarschijnlijke theorie: klaarblijkelijk leefden de walvisachtigen en zwemmende reptielen oorspronkelijk in ecologische zones van de diepzee waarvan weinig dieren tijdens het ene zondvloedjaar zijn omgekomen. Mogelijk, omdat deze relatief grote dieren vlak aan het wateroppervlak leefden. Daardoor konden ze aan de modderlawines ontkomen. Zodoende vinden we van de basistypen van de walvisachtigen en de zwemmende reptielen geen fossielen in het Paleozoïcum terug. Na de zondvloed doen zich in de zeeën specifieke omstandigheden voor, die de ontwikkeling van de zwemmende reptielen sterk begunstigen. Onder deze dieren vindt, de eerste eeuwen na de zondvloed, snelle soortvorming plaats en ze weten zich bovendien over de hele wereld te verspreiden. Ze koloniseren o.a. de kustwateren en de binnenzeeën op de continenten. Daarom vinden we deze dieren als fossielen terug in de post-zondvloed aardlagen van het Jura en Krijt. De walvisachtigen moet in deze periode, zo vlak na de zondvloed, een zeer beperkte regionale verspreiding hebben gekend. B.v. dat ze alleen in een beperkt, dieper of afgezonderd deel van de oceanen voorkwamen. Daardoor vinden we van deze dieren in het Mesozoicum geen fossielen op de continenten terug. Nadat in het late Krijt de zwemmende reptielen zijn uitgestorven, kunnen de walvisachtigen de vrijgekomen niches innemen en zich over grotere delen van de wereldzeeën verspreiden. Dat zien we in het Tertiair gebeuren. Daar komen we voor het eerst deze dieren tegen die toentertijd waarschijnlijk door vloedgolven op de kusten gesmeten werden en konden fossiliseren. Dit vervangingsproces gaat gepaard met een puls van soortvorming onder de walvisachtigen. Alles bij elkaar levert deze serie hypothese een voorbeeld op van wat Joachim Scheven een megasuccessie noemt). De tussenhaakjes geplaatste passages bij de punten 7 en 8 laten zien, dat er vanuit het Europese zondvloedmodel goede hypothesen te bedenken zijn, die een voorlopig antwoord geven op de gestelde vragen. Alleen blijken deze hypothesen niet of nauwelijks te falsificeren. Klaarblijkelijk werkt het dus zo, dat je eerst op grond van zuiver geologische argumenten een keuze moet maken voor of tegen het Europese zondvloedmodel. Daarna kun je, vanuit het aangenomen model, de meest aannemelijke hypothesen bedenken, om de feitelijke volgorde van de fossielen te verklaren. Daarin heeft het Europese model tot nu toe de meest verklarende waarde.

 

9.      Tijdsduur van de post-zondvloedrampen.                                                                           Het Europese zondvloedmodel komt er op neer, dat de geologische verschijnselen van het Mesozoicum en Kanozoicum na de zondvloed zijn ontstaan. Hetgeen betekent, dat er na afloop van de Grote Vloed nog een geweldige hoeveelheid geologische activiteiten heeft plaatsgevonden. Niet alleen ontstonden er gedurende het Meso- en Kanozoicum samen meer aardlagen dan in het Paleozoïcum = tijdens de zondvloed (waaronder een achttal uitgestrekte continentale plateaubasalten = enorme lava-uitvloeiingen); ook voltrok zich vanaf het Jura het uiteenvallen van de continenten; kwamen in het Tertiair de Alpine gebergten (Alpen, Rocky Mountains, Andes, Himalaya enz.) omhoog en speelde zich in het Kwartair de ijstijd af. Bovendien verdwenen er herhaaldelijk grote groepen diersoorten door massale uitstervingen (eind Trias, gedurende het Krijt en in het midden-Tertair), waar dan weer door migratie van elders en door snelle soortvorming andere groepen voor in de plaats kwamen. Dit alles viel samen met abrupte klimaatsveranderingen en snelle vegetatiewisselingen. En dat allemaal na afloop van de zondvloed. Is er een schatting te maken, in hoeveel tijd dit allemaal kan zijn gebeurd? En zijn al deze geologische, klimatologische en biologische veranderingen in te passen binnen de tijdsperiode vanaf de zondvloed tot en met de tijd van de aartsvaders? Bovendien: als er na de zondvloed nog zulke gigantische continentale basaltuitvloeiingen zijn geweest, die het klimaat drastisch moeten hebben beïnvloed, en als grote delen van de continenten toentertijd regelmatig door vloedgolven (als gevolg van grootschalig onderwatervulkanisme, instabiele temperatuurverdeling in de oceanen door de nog hete oceaanbodem met overturns als gevolg en periodiek terugkerende meteorietbombardementen) onder water werden gezet, was er onder die omstandigheden dan wel leven en het opbouwen van menselijke culturen mogelijk? Tenslotte: wat zijn de drijvende krachten achter deze enorme veranderingen na de zondvloed geweest? Waren hier weer de meteorietbombardementen de trigger van de overige gebeurtenissen of waren als gevolg van de openbrekende aarde tijdens de Zondvloed de magmastromen in de aardmantel nog niet tot rust gekomen? (Iets over het kader waarbinnen antwoord op deze vragen gezocht moet worden: het interval vanaf de zondvloed tot aan de Exodus kan volgens schattingen van sommige creationisten tussen de 4.000 en 15.000 jaar hebben geduurd; in dit tijdsbestek werden de geologische en biologische ontwikkelingen waarschijnlijk in hoge mate bepaald door kosmische bombardementen, die zich om de zoveel eeuwen op aarde hebben afgespeeld, getuige het feit dat er meer dan 100 kraterstructuren (groter dan 1 km) in de aardlagen van het Meso- en Kanozoicum voorkomen). Ps: bijbelse geslachtsregisters geven voor de periode tussen Noach en Abraham slechts ruimte voor een paar honderd jaar bij onvoorwaardelijke optelling. Maar ook die roepen vragen op.

 

10.  Ontbreken informatie over post-zondvloedrampen in Bijbel.                                                                             Maar als er werkelijk nog zo veel na de Zondvloed gebeurd is, waarom zegt de Bijbel daar zo weinig over? (mogelijk antwoord: uit het zondvloedverslag mag niet worden afgeleid dat er op aarde slechts één wereldomspannende catastrofe is geweest. De bijbel is geen geologisch handboek. Er worden alleen gebeurtenissen weergegeven, die binnen de heilshistorie van betekenis zijn, zoals de zondvloed. De post-zondvloed rampen hebben dus minder heilshistorische relevantie. Overigens komen er in de Bijbel nog veel passages voor, die er op wijzen dat er op aarde na de zondvloed nog grote natuurrampen hebben plaatsgevonden).

 

11.  Waarom niet meer Zondvloeden?                                                                                   Als kosmische bombardementen de geologie en biologie na de zondvloed hebben gedicteerd, zitten we met het probleem van oorzakelijke consistentie. Want het was ook een kosmische bombardement dat de zondvloed in gang zette. Waarom heeft er zich dan na de zondvloed, in het Meso- en Kanozoicum, als gevolg van nieuwe kosmische terreur, niet opnieuw een wereldomvattende zondvloed voorgedaan? (Aanzet tot een antwoord: mogelijk waren de kosmische bombardementen na de zondvloed minder hevig omdat de meteorieten of kometen die om de paar generaties weer in de buurt van de aarde kwamen tijdens hun reis om de zon steeds verder desintegreerden door de aantrekkingskracht van grote planeten als Jupiter en Saturnus; ook is het waarschijnlijk, dat na de zondvloed bepaalde zones (o.a. tussen de 7 en 14 km diepte onder de oceanische korst) in de aardmantel sterk waren afgekoeld; het materiaal moet daardoor in die zones stroperiger (viskeuzer) zijn geworden; in deze gebieden trad daardoor een faseverandering op, waardoor het ‘runaway subduction’ proces niet meer kon optreden. De vraag die dan overblijft is, op welke manier de verdeling van de continenten na de zondvloed zich heeft afgespeeld?)

 


Discussie n.a.v. de lezing van Evert van der Heide.

 

1.      Consequenties van het integratiemodel.                                                                Evert kiest voor het integratiemodel. Geologische verschijnselen proberen we dan te relateren aan de bijbelse geschiedenis. Dat  heeft consequenties voor de interpretatie van de geologische verschijnselen. Enkelen daarvan komen hieronder aan de orde.

 

2.      Een korte chronologie.                                                                                                 Er manifesteren zich duidelijk 8 catastrofale verschijnselen (o.a. impacts, uitstervingen, floodbasalten) op verschillende niveaus in de aardlagen van de geologische kolom. Passen deze catastrofale verschijnselen binnen de scheppingsdagen van Genesis 1? Zoniet, dan is dit een belangrijk gezamenlijk uitgangspunt. Dit houdt namelijk in, dat de fossielhoudende aardlagen van na de scheppingsdagen dateren. Dus: aardlagen van de geologische kolom hebben een kort-chronologische ontstaansgeschiedenis van enkele duizenden tot hooguit enkele tienduizenden jaren. Atoomdateringen van gesteenten kunnen dan niets zeggen over de absolute ouderdom van aardlagen zelf; misschien wel over hun relatieve ouderdom of over de absolute ouderdom van de materie waaruit de aardlagen zijn opgebouwd, als dat laatste tenminste past in het bijbelverhaal.

 

3.      Uitstervingen: wel of geen probleem voor een korte chronologie?                                                           Uitstervingen en opvolging door andere diersoorten: gaat daar niet teveel tijd overheen, vraagt Evert zich af? Uitstervingen zijn geen probleem voor het Amerikaanse zondvloedmodel (alle aardlagen het product van de zondvloed). Binnen het Europese zondvloedmodel worden de uitstervingen t/m het Perm direct gerelateerd aan de zondvloed. De overigen (eind Trias, Krijt en midden Tertiair) zijn dan post-zondvloed. Het vereist intensief onderzoek om meer duidelijkheid te krijgen over deze post-zondvloedextincties.

 

4.      Post-zondvloedduur en post-zondvloedprocessen.                                              Eerste vraag hierbij is: hoe lang heeft de post-zondvloed periode geduurd? Tussen de 4.000 jaar (als je de bijbelse geslachtsregisters als een gesloten genealogie leest) en maximaal 15.000 jaar (als je Gen.5 en 11 als een open genealogie opvat), (zie b.v. A.J. Monty White, Hoe oud is de aarde? en S. Robinson, From Flood to Pharaoh- a chronological framework, The Genesis Agendum Occasional Papers no.2). En verder: welke geologische en biologische  processen hebben zich in die tijd afgespeeld? Herhaalde massa-extincties a.g.v. impacts, dynamische oceanen a.g.v. onderwater vulkanisme, snelle soortvorming door gedifferentieerde genexpressie en megasuccessies lijken hier de sleutelconcepten. Het is een uitdaging om, m.b.v. deze ideeën de getrapte wijze waarop de rekolonisatie en repopulatie van de aarde na de zondvloed zich heeft voltrokken, te beschrijven en verklaren (zie hieronder, punt 7).

 

5.      Samenhang tussen geologische verschijnselen na de zondvloed.                                                                                   Evert stelt, dat impacts, uitstervingen, floodbasalten, evaporieten, continentverschuivingen en zeespiegelstijgingen zijn gerelateerd. In dit rijtje horen ook de magnetische omkeringen thuis. Het is waarschijnlijk, dat de impacts de trigger vormden van de overige verschijnselen. Dat lijkt de enig mogelijke causale samenhang op een kortchronologische tijdschaal. Het alternatief, mantelpluimen die vanaf de kern van de aarde opstijgen, lijkt meer iets voor miljoenen jaren (zie N.J. Price, 2001, Major Impacts and Plate Tectonics, pp.108-119; V. Courtillot, 1999, Evolutionary Catastrophes. The science of mass extinction, hoofdstuk 5).

 

6.      Snel ontstaan van geologische verschijnselen.                                                         Het is plausibel, dat de impacts, al dan niet in combinatie met massa-vulkanisme en daarmee geassocieerde klimaatsverstoringen, verantwoordelijk zijn geweest voor de massa-extincties. Het is veelzeggend, dat in de ‘mainstream’ wetenschap deze samenhang inmiddels uitgebreid wordt geanalyseerd. Je kunt er tegenwoordig een flinke hoeveelheid vakliteratuur over opslaan. Als je dat doet blijkt, dat menig modern geoloog van mening is dat het ontstaan van de genoemde geologische verschijnselen veel sneller is verlopen dan men vroeger altijd veronderstelde: basaltplutonen die binnen honderd jaar kunnen zijn ontstaan in plaats van in miljoenen jaren (Nature 408, p.669-673); continentverplaatsingen van 150 kilometer per jaar in plaats van enkele centimeters per jaar (R.M. Schoch, 1999, Voices of the Rocks, p.220); bergen die binnen enkele uren zich honderden meters verheffen of binnen een dag tot gruis uiteen vallen (K.J.Hsu, 1986, Het grote uitsterven, p.54) ; een wereldwijd voorkomende iridium houdende kleilaag die niet in tienduizenden jaren is neergeslagen maar binnen een week (B.F. Windley, 1995, The Evolving Continents, p39; zie ook de opvattingen van de paleontoloog Jan Smit over de K/T grenslaag), het aardmagnetisch veld dat binnen enkele maanden kan omslaan (Kreatum Report 1.4 en Kreton Report 2.1), om enkele voorbeelden te noemen. De ‘mainstream’ wetenschappelijke literatuur levert dus genoeg bouwstenen, die je kunt gebruiken om een theorie op te stellen over hoe impacts de geologie en biologie na de zondvloed hebben gedicteerd.

 

7.      Amerikaanse versus Europese verklaring voor de fossielenvolgorde.              Onder creationisten wordt de geologische kolom steeds meer geaccepteerd als een reëel  indelingssysteem van aardlagen. Maar daarmee wordt tevens de volgorde van de fossielen in de aardlagen een lastig te verklaren punt. In grote lijnen begint de kolom met de zeedieren en vissen, vervolgens steenkoolafzettingen, de amfibieën en reptielen en tenslotte de vogels, de zoogdieren en de mens. Volgens het Amerikaanse zondvloedmodel (alle aardlagen product zondvloed) zijn hydrodynamische selectiviteit, selectie naar drijfvermogen, selectie naar ecologische zonering of selectie naar vluchtpotentie (vluchten naar hoger gelegen gebieden) verantwoordelijk voor deze volgorde. Kun je met deze begrippen overtuigend uitleggen, waarom de vissen eerder in de aardlagen zitten dan de dino’s en waarom de zoogdieren daarboven zijn gefossiliseerd en de mens helemaal op het laatst? (En, om nog wat puzzeltjes te geven: waarom kom je pas in het Krijt de eerste bloemplanten als fossiel tegen? En hoe verklaar je vanuit het Amerikaanse zondvloedmodel dat er alleen in Zuid Amerika en Australië in de aardlagen vanaf het late Krijt buideldieren voorkomen, en dat tegenwoordig ook alleen op deze continenten buideldieren voorkomen?) Hoe problematisch het is om vanuit het Amerikaanse zondvloedmodel de volgorde van de fossielen te verklaren blijkt, als we de theorie van ecologische zonering confronteren met de feitelijke verdeling van de fossielen in de aardlagen. Volgens de theorie van de ecologische zonering werd tijdens de zondvloed eerst het zeeleven door zondvloedsediment bedolven, vervolgens werden de laagliggende moeras- en kustgebieden met de aldaar levende amfibieën, reptielen en laaglandflora door zondvloedsediment bedekt en tenslotte de hoger gelegen gebieden waar vogels, zoogdieren en hooglandflora voorkomen. Maar nu blijkt, dat in het Cambrium t/m het Ordovicium alle continenten al zijn afgedekt met honderden meters dikke aardlagen, waarin vrijwel uitsluitend fossielen van zeedieren zitten. Waar waren toen die laaglanden nog waar de amfibieën en reptielen leefden? En waar waren de hoogland gebieden met de vogels, reptielen en zoogdieren?

Vanuit het Europese zondvloedmodel valt de volgorde van de fossielen beter uit te leggen m.b.v. het Zinkende Titanic Model: onderop bodemleven uit de kustzone, daarboven bodemleven uit de diepzee, daarboven vrij zwemmende en drijvende zeedieren, gevolgd door drijvende paleoflora. De volgorde van de fossielen in het Mesozoicum en Kanozoicum representeert dan vervolgens de getrapte wijze waarop het rekolonisatieproces van de aarde na de zondvloed zich heeft voltrokken. Zoals gezegd, zorgden nieuwe impactronden hierbij voor massa-extincties. Na elke inslagronde wisten overgebleven soorten snel zich aan de nieuwe omstandigheden aan te passen (snelle soortvorming door gedifferentieerde genexpressie en genetic drift), om vervolgens de vrij gekomen ecologische nissen in bezit te nemen (megasuccessie). Blijft de vraag over voor Europese zondvloedmodel, waarom er b.v. in het Devoon geen walvissen en zwemmende reptielen gevonden worden? Bestonden die toen nog niet? Ook moet al het leven van voor de Zondvloed tijdens de Grote Vloed helemaal verdwenen zijn. Waarheen dan? (zie de discussie n.a.v. lezing Hans Hoogerdijn, punten 5 en 8).

 

8.      Stagnaties in de sedimentatiesnelheden?                                                                 Evert verwees naar een artikel in Nature. Daarin wordt de Permische uitsterving gezien als een artefact van een verandering in sedimentatiesnelheid, oftewel, omdat er miljoenen jaren geen aardlagen zouden zijn gevormd, lijkt het net, alsof de dieren uit het Perm ineens zijn uitgestorven. Deze redenering past niet in een kort-chronologisch model. Binnen een bijbels chronologisch kader kan er nooit veel tijd tussen het ontstaan van de Perm en de daaropvolgende Trias lagen hebben gezeten. Dan moet het verdwijnen van bijna 90% (t.o.v. de volgende lagen) van de soorten in de aardlagen van het Perm wel worden gezien als een reële extinctie van ongekende omvang.

 

 

 


Discussie n.a.v. de lezing van Kees Jan van Dam.

 

1.      Sterk afwijkende theorie.                                                                                            De hydroplaat theorie wijkt zeer sterk af van de gevestigde opvattingen binnen de wetenschap. Ook van die van andere creationisten. Vooral wat betreft de opbouw van de aardkorst en het ontstaan van meteorieten enz.

 

2.      Speculatieve opbouw aardkorst.                                                                    Uitgangspunt van de theorie vormt de opbouw van de aardkorst vanaf de schepping. Vanaf het aardoppervlak gerekend ziet die er, volgens Brown, als volgt uit: eerst de granieten korst (10 km dik), vervolgens een 1 km dikke waterschil, daaronder een basaltlaag. Op de granieten schil bevinden zich continenten plus een aantal kleine zeeën. Deze opbouw is speculatief en niet falsificeerbaar.

 

3.      Granietenschil om de aarde.                                                                                  Genesis 1:2 laat zien, dat in het begin de hele aarde bedekt was met water. Genesis 1:9,10 vermeldt dan, dat God het water op een plaats laat samenkomen en dat er droog land te voorschijn komt. Spoort deze beschrijving  met de voorstelling van Brown, waarin er ‘in den beginne’ een granieten plaat met continenten en daartussen kleine zeeën was?

 

4.      Speculatieve waterschil.                                                                                               Het postuleren van een 1 km dikke waterschil onder de granieten laag is ook speculatief. Genesis 1 : 6,7 vertelt dat God tijdens de tweede scheppingsdag het water onder en boven het uitspansel verdeelde. Nergens lezen we een verwijzing naar onderwater reservoirs. Seismisch onderzoek wijst tot nu toe uit, dat er geen bewijzen zijn voor restanten van deze waterschil, die zich nu nog onder de huidige continenten zouden bevinden, zoals Brown stelt.

 

5.      Afwijzen van waterdampmantel terecht?                                                               Brown verwerpt het idee van een waterdampmantel die door God tijdens de tweede scheppingsdag boven de dampkring zou zijn geschapen. De druk aan het aardoppervlak zou daardoor te zeer toenemen, is zijn voornaamste tegenargument. Maar er zijn modelberekeningen die aantonen dat een waterdampschil wel een hogere luchtdruk zou opleveren, maar dat die extra luchtdruk niet zodanig hoog hoeft te zijn dat er geen leven meer mogelijk is. (voor literatuur zie ‘Eens was er de zondvloed’, hoofdstuk 2 noot 1) Verder is het niet uitgesloten dat de aarde voor de zondvloed sneller draaide. De extra centrifugale kracht die hierdoor werd opgewekt zou dan deels de extra druk van de waterdampschil compenseren. (zie ‘Eens was er de zondvloed’ , hoofdstuk 2 noot 4) Alles bij elkaar lijken er onvoldoende argumenten te bestaan om de waterdampmantel-hypothese op fysische gronden af te wijzen. Hiertegenover staan een aantal bijbelse argumenten, die wel kunnen wijzen op de realiteit van de waterdampschil: Gen.1 : 7, Gen. 1 : 14-16 (uitleg: de zon, maan en sterren worden zichtbaar aan het firmament, de dampkring, omdat op de vierde dag de waterdampmantel boven het firmament door het draaien van de aarde uitzet!), Gen.9 : 13 (uitleg: het ontstaan van de regenboog aan het eind van de zondvloed als gevolg van het uitregenen van de waterdampmantel tijdens de zondvloed).

 

6.      Is Brown’s aardkost instabiel?                                                                                      Er zijn theoretici die beweren dat de opbouw van de aardkorst zoals Brown die beschrijft instabiel is. (zie internetsite van Glenn R. Morton) Al bij geringe dikteverschillen in de granieten bovenlaag zal, op de dunnere plaatsen, de schil scheuren; ook zal door de 1 km dikke waterlaag deze buitenste schil los liggen van de mantel en kern. De granieten schil en de mantel zullen dan onafhankelijk van elkaar gaan bewegen. Zo ondergaat de granieten korst de aantrekkingskrachten van hemellichamen en omdat ze niet verbonden is met de mantel, zal ze instabiel worden en instorten. Wat voor antwoord heeft Brown hierop?

 

7.      Spontaan ontstane haarscheurtjes in de granieten bovenlaag?                                                                         Ook het haarscheurtjesverhaal, waaruit aan het begin van de zondvloed binnen enkele uren een enorme scheur door heel de aarde ontstaat, geeft aan, dat de door Brown gepostuleerde opbouw van de aarde niet erg stabiel is. Past dit bij Gods schepping waarin alles oorspronkelijk zeer goed was? Want dit betekent, dat God een aarde zou hebben geschapen, waarin binnen 2000 jaren na de scheppingsweek  spontaan haarscheurtjes konden ontstaan, waardoor Gods hele scheppingwerk in een mum van tijd werd geruïneerd. Is het niet meer waarschijnlijk dat God, door een bewust uitgevoerde ingreep van buitenaf (b.v. een meteorietenbombardement), zijn kunstwerk heeft willen ‘verdelgen’? (Zie punt 3 bij de lezing van Hans: vanwaar de meteorieten dan?)

 

8.      Heet zondvloedwater: een probleem voor de ark?                                                   Het water, dat volgens Brown uit de gepostuleerde 1 km dikke waterschil ontsnapte, moet enorm heet zijn geweest. Het kwam van een diepte van tenminste 10 km. Daar is het nu warmer dan 200 graden Celcius. Zou de ark de toevoer van dit warme water hebben overleefd? (Zie punt 2 bij de discussie van de lezing van Hans.)

 

9.      Was er voldoende zondvloedwater?                                                                                 Het water dat uit de scheur spoot stond onder een geweldige druk, stelt Brown. Daardoor kwam er veel water (plus gesteenten) in het heelal terecht. Weet hij ook hoeveel water in de ruimte verdwenen moet zijn? Bleef er dan wel genoeg water over om heel de aarde, tot de bergen toe onder water te zetten?

 

10.  Waar komen al die zeeafzettingen volgens Brown vandaan?                                Het model van Brown verklaart onvoldoende, waar de enorme hoeveelheid mariene sedimenten en fossielen van zeedieren vandaan komt, die samen voor 95% de inhoud van de geologische kolom uitmaakt. Hij geeft de indruk, dat de aarde voor de zondvloed slechts weinig zeeën herbergde – te weinig om al die mariene zeedieren en zeesedimenten te verklaren, die tijdens de zondvloed zijn afgezet. Of komen deze zeedieren misschien uit zijn gepostuleerde waterschil in de aarde? Ook is het ongeloofwaardig om de herkomst van de enorme hoeveelheden sediment, waaruit de fossielhoudende aardlagen op de continenten bestaan, toe te schrijven aan de erosie van de granieten bovenlaag tijdens het openscheuren van de aarde. Is  zo, in 1 jaar tijd, de onvoorstelbare hoeveelheid grind, zand, klei en kalk, die nu de geologische kolom vormt, ontstaan?

 

11.  Hoe kan het hydroplaat mechanisme ooit werken?                                                 De werking van het hydroplaat mechanisme voldoet niet. Dit is een belangrijk punt tegen dit model. Want stel, er ontstond inderdaad een wereldomspannende scheur in de aarde. Brown beweert, dat daar de onderliggende harde basaltlaag ging uitpuilen. Net zo ongeveer als een zachte binnenband door een scheur in de buitenband naar buiten puilt. (Voor de duidelijkheid: geologen menen, op basis van een veelheid van waarnemingen, dat de Mid Oceanische Rug niet ontstaan is doordat hard basalt daar omhoog kwam, maar doordat vloeibaar magma door een scheur naar buiten stroomde en daarna is verhard tot basalt.) Maar zal nu, door het omhoogkomen van de basaltlaag in de scheur en het uitpuilen van het basalt, de opgestuwde granieten bovenlaag ‘als een plaat’ gaan schuiven? Waar naartoe dan? Heel de aarde is volgens Brown toch omhuld door een aaneengesloten 10 km dikke granieten schil? Kan er dan sprake van zijn dat er iets gaat schuiven? Het graniet kan geen kant op, want, nogmaals, de hele aarde is volgens Brown omhuld door een 10 km dikke laag graniet. Als het graniet niet kan verschuiven moeten we dus geloven dat, door de kracht van het uitpuilende basalt in de scheur, de 10 km dikke granieten korst vanuit de rug naar weerskanten toe maar liefst 90 booggraden in elkaar en opzij is geperst – zoals de gordijnen bij een toneelvoorstelling worden open getrokken. Brown stelt dat dit gebeurd kan zijn doordat de granieten plaat brak en dat de delen over elkaar schoven. Nu komt underplating, zoals dit verschijnsel genoemd wordt wel voor, maar absoluut niet op de door Brown gesuggereerde schaal. Neem de Atlantische Oceaan. Die is tussen Amerika en Spanje 5500 km breed. Dus moet vanuit het midden van de oceaan over een afstand van 2750 km de 10 km dikke granieten korst naar beide kanten deels zijn weg geërodeerd, deels zijn verfrommeld, geplooid, in elkaar geperst en opgestuwd tot immens hoge gebergten die zich nu respectievelijk aan de oostkust van de VS en aan de westkant van Europa en Noord Afrika zouden moeten bevinden. Nu komen daar wel lage, inmiddels afgesleten gebergten voor, maar die bestaan grotendeels uit opgestuwde sedimentgesteenten (uit het Paleozoïcum) en niet uit de geweldige massa’s in elkaar geperste en geplooide graniet, die er volgens Browns theorie zouden moeten zijn. Evenmin is dat het geval aan de westkust van VS. en aan de oostkust van Azië, om nog maar te zwijgen van de oostkust van Zuid Amerika en de westkust van Afrika: daar bevinden zich in het geheel geen gebergten.

 

12.  Diepzeetroggen: hoe zijn ze ontstaan?                                                                       De verklaring van de diepzeetroggen in het model van Brown overtuigt niet. Er wordt gesteld, dat op zekere plaatsen granitische korst naar beneden werd getrokken. Daardoor ontstonden de troggen en aan de randen daarvan vulkaanketens, omdat de wrijvingswarmte, die bij de subductie van het graniet optrad, gesteenten deed smelten - met vulkanisme als gevolg. Het punt van kritiek is, dat graniet een licht gesteente is en daarom niet in de mantel zal afzakken. Verder is er geen ruimte om af te zinken, omdat, volgens Brown, praktisch direct onder de granieten korst de zware basaltische schil zit. Daar wordt het graniet door tegengehouden. (Volgens de gevestigde opvatting ontstaan diepzeetroggen alleen  op plaatsen waar zware basaltische korst onder lichtere granitische massa in de stroperige mantel wegduikt).

 

13.  Snelle drukvariatie en erg plastisch basalt in de aarde.                                      Brown stelt, dat de uitpuilende basaltlaag vanuit de wereldomvattende scheur eerst in een dag zodanig omhoog kon komen dat al het graniet dat erboven lag opzij werd geschoven en verfrommeld tot gebergteketens en dat binnen een jaar datzelfde basalt weer was teruggezakt, zodat het nu als bodem van de diepzeebekkens kon functioneren. Niet alleen wordt deze basaltische laag dus enorme plastische eigenschappen toegedicht (terwijl dit gesteente zeer stevig en daarom moeilijk te vervormen is), maar ook veranderen de drukkrachten in de aarde klaarblijkelijk wel erg snel in de visie van Brown. Eerst viel het omhoog komende basalt niet tegen te houden door het granietlaag erboven (vergelijk het met de binnenband die door de scheur in de band naar buiten komt zetten), een jaar later (als de granietlaag is verwijderd) ligt het basalt weer rustig op z’n oude plaats en fungeert het als oceaanbekken waarin het zondvloed water kan worden opgevangen (de binnenband is dan weer naar binnen gefloept).

 

14.  Continenten: uit elkaar gedreven of tussenliggende korst verdwenen?              Nog wat details. Geologische structuren van het Precambrium en het Paleozoïcum blijken naadloos door te lopen van het ene continent in het andere, b.v. vanuit Zuid Amerika naar Afrika of naar Antarctica. Dit betekent tweeërlei. Allereerst dat de huidige verdeling van de continenten pas is ontstaan toen de paleozoische sedimentgesteenten van de zondvloed al waren verhard (zou dat verharden kunnen tijdens de Zondvloed?)– dus (volgens het Europese model) na de zondvloed. Daarnaast, omdat de continenten als stukjes van een legpuzzel in elkaar passen, betekent dit, dat continenten echt uit elkaar zijn geschoven (b.v. Zuid Amerika en Afrika) en niet dat er tussenliggende granieten korst is verdwenen, opzij gedrukt en verfrommeld, iets wat de hydroplaat theorie lijkt te beweren.

 

15.  Hoe verklaart Brown de oost-west lopende bergen?                                                De hydroplaat theorie geeft een speculatieve verklaring voor noord zuid lopende gebergteketens, maar biedt geen verklaring voor het ontstaan van de oost west lopende gebergten in Europa en Azië, zoals de Pyreneeën, de Alpen, Kaukasus, Himalaya. Die zijn ontstaan doordat continenten in de noord-zuid richting tegen elkaar botsten, waardoor de tussenliggende oceanische korst in de tang werd genomen en tot gebergteketens werd geplooid. Hoe verklaart Brown deze structuren?

 

16.  Dodwell en de aardaskanteling.                                                                                Het verschuiven van de granitische korst en het omhoog komen van de basaltische laag deden de aarde kantelen volgens Brown. Hij beroept zich hierbij op de Australische astronoom G. Dodwell, maar die had het niet over een verschuiving van de aardas van 45 booggraden maar van hooguit 3 graden en die zou, volgens Dodwell, het gevolg zijn geweest van een meteorietinslag.

 

17.  Monocausaal mechanisme voor de aardlaag en fossielen sequentie.                       Het hydroplate-model schrijft alle verschijnselen in de aardlagen toe aan de zondvloed. Met behulp van een monocausaal principe als liquidificatie (is dat niet  hetzelfde principe als wat Morris in ‘The Genesis Flood’ hydrodynamische selectiviteit noemt?), wil hij de gehele complexe volgorde van de aardlagen en de fossielen in één klap verklaren. Dat komt erg simplistisch over. Hoe is vanuit dit principe ooit uit te leggen waarom er in het Devoon vooral vissen in de aardlagen zitten, en in het Carboon steenkool, en in het Perm rode zandsteen plus zoutlagen, en in het Krijt krijtkalk plus dino’s en in het Tertiair de zoogdieren? Na 40 jaar creationisme, vanaf het standaardwerk van Withcomb en Morris (het zgn ‘alles is Zondvloed’-model), komen er steeds meer aanwijzingen dat de geologische kolom vanaf het Trias van na de zondvloed dateert. Hoewel daar nog discussie over is (zie andere discussies rond Hans, Evert en Tom), gaat het model van Brown geheel aan nieuwe inzichten voorbij. Dit leidt er toe, dat dit model geologische verschijnselen aan de zondvloed toeschrijft, die volgens de recentere inzichten (zie het Europees zondvloedmodel), pas na de zondvloed zijn ontstaan, b.v. de diepzeetroggen, de Tertiaire gebergten en de huidige verdeling van de continenten en de ijstijd. Meer hierover in de discussie rond de lezing van Tom Zoutewelle.

 

18.  Mammoeten: slachtoffer van de zondvloed?                                                                  De mammoeten. Ook die verklaart Brown als slachtoffers van de zondvloed. Volgens het Europese zondvloedmodel leefden de mammoeten, die we nu in de aardlagen van het Kwartair tegenkomen, pas honderden tot duizenden jaren na de zondvloed. Maar ook onder de aanhangers van het Amerikaanse zondvloedmodel zijn nog maar weinigen die nu nog geloven, dat de mammoeten tijdens de zondvloed zijn uitgestorven. Zij die dat wel doen, zoals Brown, negeren de feiten die er inmiddels over de mammoeten bekend zijn. Zo is het niet waar, dat er veel mammoeten door ijsregens zijn ingevroren – de meeste mammoetbotten worden als losse fragmenten gevonden; er zijn maar relatief weinig complete skeletten van mammoeten bekend; de meeste daarvan zijn in windafzettingen (loess) of drijfzand afzettingen aangetroffen. Ook is het onlogisch om de Berezovska mammoet (waarnaar Brown verwijst), die in die vreemde houding, zittend op haar achterpoten, stierf, als slachtoffer van de zondvloed te zien. Want heel Siberië was al bedekt door tientallen meters dikke zondvloedafzettingen van het Paleozoïcum toen de mammoeten daar leefden. Hoe kan dit beest daar dan tijdens de zondvloed nog bovenop hebben rond gelopen?

 

19.  De Hydroplaattheorie: speculatief, niet plausibel, verklaart weinig.            Concluderend kunnen we stellen dat de theorie van Brown een uiterst speculatief en weinig plausibel zondvloedmechanisme biedt. Ook levert deze theorie geen adequate verklaring op voor de complexe orde die de geologische verschijnselen in de geologische kolom te zien geeft. Daarnaast is er op menig detail kritiek te leveren (we laten de meteorieten, asteroïden en de maan hier maar buiten beschouwing), waarvan de kern doorgaans is, dat Brown over onvoldoende of verouderde geologische kennis lijkt te beschikken. Na deze punten van bezwaar mag het duidelijk zijn, waarom er maar weinig creationisten warm lopen voor Browns theorie. Komt Brown in zijn volgende, 8e editie van zijn boek ‘In the Beginning’ met antwoorden?

 

 


Discussie n.a.v. de lezing van Tom Zoutewelle.

 

1.      Overeenkomsten.

Er zijn veel overeenkomsten tussen de lezingen van Tom, Evert en Hans. B.v. het punt dat de geologische kolom vanaf het Cambrium na de schepping moet zijn gevormd, dus dat de aardlagen betrekkelijk recent zijn. Ook voor wat betreft de aanwijzingen voor een wereldwijde zondvloed in de rotsen hanteren ze dezelfde argumenten: turbidieten, paleocurrents, massale sedimentatie van mariene afzettingen op de continenten, het op grote schaal voorkomen van fossielen, wat catastrofale omstandigheden impliceert – allemaal ondubbelzinnige indicaties van een mondiale zondvloed die vooral Tom mooi heeft laten zien tijdens de studiedag. (De inleiding van Henk sluit sowieso goed aan bij de andere lezingen. In tegenstelling tot de rest begint Henk boven aan de geologische kolom en werkt hij terug, de diepte in. Tot waar komen menselijke resten voor? (P.S. aanvullende informatie hierover is te vinden in het standaardwerk van M.A. Cremo & R.L. Thompson, Forbidden Archeology – zoek maar eens op internet).

 

2.      Twistpunten.                                                                                                                    Maar er zijn ook een aantal hardnekkige twistpunten. Die zijn te herleiden tot de verschillen die er bestaan tussen het Europees en Amerikaans zondvloedmodel. Allereerst: waar eindigen de zondvloedafzettingen? Hans houdt het – samen met de meeste toonaangevende creationisten in Europa (David Tylor, Michael Garton, Paul Garner, Joachim Scheven, Max Ernst, Mats Molen, Siegfried Scherer, Manfred Stephan en Thomas Fritzsche)  - op het Carboon. Volgens Tom valt het einde van de zondvloed echter in het Tertiair (Mioceen). In deze kwestie volgt Tom in grote lijnen de oude opvatting van de creationisten uit de jaren 20 en 60 van de vorige eeuw in de V.S.. Die schreven alle aardlagen van de geologische kolom automatisch aan de zondvloed toe. Deze oude opvatting wordt nu dus betwist door de bovengenoemde nieuwe lichting creationisten in Europa. Dat is een ontwikkeling die niet zo verwonderlijk is. Want het valt te verwachten, dat een eerste theorie, uit de tijd dat het creationisme nog in de kinderschoenen stond, bij nader inzien moet worden bijgesteld. Immers, zo’n eerste theorie is opgesteld, zonder dat men zich uitvoerig op empirisch onderzoek kon baseren (zie M. Stephan & T. Fritzsche, Sintflut und Geologie, p.85). Maar ook valt te begrijpen waarom de oude ‘alles is zondvloed’ theorie in de VS. en in Australië tegenwoordig nog steeds wordt gekoesterd. Men heeft zich er decennia lang in vast gebeten, jaren lang deze theorie fanatiek verdedigd, en dan is het moeilijk om het eenmaal ingenomen standpunt los te laten en bij te stellen. Dan dreigt het een typisch voorbeeld van paradigmatische verstarring te worden. In Thomas Kuhns ‘Structure of Sientific Revolutions’ staat beschreven, welke afweermechanismen hierbij uit de kast worden gehaald om koste wat kost het oude, niet meer te handhaven standpunt te redden: een labyrint van gelegenheidsargumenten verzinnen, je beroepen op eigen autoriteit, de deskundigheid van het andere kamp in twijfel trekken, feiten die de eigen theorie onderuithalen zo lang mogelijk negeren, wegredeneren of deze feiten zo masseren dat ze het oude model niet meer ter discussie stellen enz..

 

3.      Verschillen tussen modellen dwingt tot nadenken!                                               Tom heeft nauwe banden met Amerikaanse creationisten van het Loma Linda instituut  in Californië. Mede daarom profileert hij zich waarschijnlijk als verdediger van het oude ‘alles is zondvloed’ paradigma. Maar heeft hij antwoord op de argumenten die door de nieuwe lichting creationisten in m.n. Europa worden ingebracht? Argumenten            die er allemaal op wijzen dat de bovengrens van de zondvloed veel lager ligt dan de creationisten van het eerste uur postuleerden. B.v. de windafzettingen in het Trias en Perm, de termieten nesten, fossiele landbodems, krimpscheuren, stromatolieten (poefvormige structuren die door algen laagje voor laagje zijn gebouwd), wortelhorizonten, hardgrounds (fossiele zeebodems) en fossiele riffen in het Trias en Jura. En de dino-loopsporen, babydino’s, dino-eieren, dino-nesten, dino-uitwerpselen, dino-braaksel, dino-gastrolieten uit het Ordovicium die in het Jura en Krijt voorkomen. Hoe denkt Tom deze verschijnselen in een model, dat de aardlagen van het Trias t/m het Krijt aan de zondvloed toeschrijft, uit te leggen? Want vergt de vorming van al deze verschijnselen niet veel meer tijd dan binnen een jaar durende zondvloedramp mogelijk is? Dan is er ook nog de iridiumhoudende grenslaag, die wereldwijd de overgang markeert van het Krijt naar het Tertiair. Valt deze messcherpe laag in het geweld van een wereldomvattende zondvloed te verwachten? Ook de twee cycli van platentektoniek (Wilson cycli) die in de geologische kolom voorkomen, de twee generaties gebergten (afgesleten gebergten van het Paleozoïcum en jonge, steile gebergten van het Tertiair) en de bimodale verdeling van het steenkool (in het Carboon en in het Tertiair) die hiermee worden geassocieerd, zijn moeilijk te verklaren binnen het Amerikaanse zondvloedmodel en wel goed inpasbaar binnen het Europese model. De verklarende kracht en de bewijslast ten gunste van het Europese zondvloedmodel zijn dus niet gering. Tom brengt hiertegen in, dat er in het Paleozoïcum ook hardgrounds (fossiele zeebodems) en fossiele riffen lijken voor te komen, waarvan het ontstaan ook tijd moet hebben gekost. Maar die fossiele riffen van het Paleozoïcum blijken allemaal van elders aangevoerd te zijn (zie A.J. Monty White, Hoe oud is de aarde; D.V. Ager, 1993, The Nature of the Stratigraphical Record, p.127; H.R. Murris, Bijbel en Wetenschap, no.171, p.125; J. Scheven, Megasuccessions, noot 2 bij hoofdstuk 1); en de hardgrounds zijn duidelijk pril en onontwikkeld (J. Scheven, Leben 4; J. Scheven,  Megasuccessions, noot 2 bij hoofdstuk 1 ). Ze kunnen in enkele dagen of hooguit weken zijn gevormd. Verder wijst Tom op de voetsporen van amfibieën, die sporadisch in het Devoon en Carboon voorkomen. Die zouden dan ook van na de zondvloed moeten zijn. Hoewel dit zeker een lastig punt is voor alle zondvloedmodellen, wijzen de Europese creationisten er op, dat deze voetsporen alleen maar voorkomen in de nabijheid van steenkool, de resten van toenmalige drijvende vegetatie. Daarom denken ze dat het hier om voetsporen van voormalige bewoners van de drijvende wouden gaat, die aan het eind van de zondvloed hun gecrashte leefmilieus ontvluchten, toen die op de continenten aanspoelden en vervolgens werden bedolven onder de kalkmodder (S.J. Robinson, 1996, Can Flood geology explain the geological record?, CEN Tech. Journal 10, p.41 en ook weer punt 7 in de discussie rond de lezing van Hans).

 

4.      Waar schuilden de dino’s?                                                                                          De beelden die Tom zelf op de studiedag liet zien roepen sterk de vraag op of de dino-tracks, nesten, eieren enz. wel tijdens de zondvloed kunnen zijn gevormd. Tom toonde een fraaie overzichtskaart van Noord Amerika in het Cambrium. Toen, zo luidde de boodschap van de kaart, was het hele continent al bedekt met een pakket modder uit de diepzee, behalve een piepklein geel gebiedje in het midden van de VS. (Tom wist wel waar dat was, zei hij er nog bij). In een van de volgende beelden liet Tom een dwarsdoorsnede van het midden van de V.S. zien (de Great Plains). Daaruit bleek, dat bovenop de aardlagen van het Cambrium nog dikke pakketten modder uit het Siluur, Devoon, Carboon en Perm liggen. D.w.z. heel N. Amerika was op dat moment tijdens de zondvloed al afgedekt met tientallen tot honderden meters dikke lagen diepzeemodder die vanuit zee over land waren uitgestort – je mag deze conclusie overigens doortrekken naar heel de wereld: overal waren de continenten toen al afgedekt met dikke lagen paleozoische sedimenten. Is het dan mogelijk dat daarboven, tijdens de zondvloed nota bene, in Noord Amerika, maar eigelijk over de hele wereld, nog hele kudden dino’s rondstruinden, die nesten maakten, eieren legden, die uitbroedden, hun jongen grootbrachten? Of anders gesteld: toen gigantische vloedgolven de hele wereld in korte tijd onder de zeemodder bedekten, waardoor de aardlagen vanaf het Cambrium tot en met het Devoon één voor één ontstonden - waar waren toen de dino’s? Hoe legt Tom dat uit? (Overigens wordt er ook in de Amersfoortse Studie no. 14, getiteld “Dinosauriërs. Een bijbelse visie op fascinerende dieren” op pagina 17 vanuit gegaan, dat de fossielen van dino’s die we in de aardlagen tegenkomen van na de zondvloed dateren). (Zie ook het commentaar onder punt 7 in de reactie op Evert van der Heide. Dat betrof de volgorde van de fossielen in de geologische kolom. Waar waren de laaglanden uit het Amerikaanse model waar de reptielen en amfibieën tijdens het jaar van de Zondvloed leefden? En waar de hooglandgebieden met de zoogdieren, de mensen en de hooglandfauna?) Overigens signaleert ook Tom’s vriend Ariel A. Roth uit Amerika in zijn prachtige boek Origins: linking Science and Scripture (engelstalig en alleen bij Creaton verkrijgbaar) dit probleem voor het Amerikaanse model.

 

5.      Verschillende paleo-zeespiegelcurves?                                                                     Een belangrijk argument van Tom, waarom de dino’s beslist als slachtoffers van de zondvloed moeten worden beschouwd, was een afbeelding van de paleozeespiegelcurve. In zijn versie daarvan stond de zeespiegel tijdens het Krijt het hoogst, dus moest dat wel tijdens de zondvloed zijn geweest; want zo niet, dan zou er na de zondvloed nog een tweede overstromingsramp op aarde zich hebben voorgedaan, waarin het water nog hoger stond als tijdens de eigenlijke zonvloed en dat kan natuurlijk niet. Vandaar Toms conclusie dat de zeespiegelstand in het Krijt de hoogste stand van het water tijdens de zondvloed weergeeft, die volgens de Bijbel na 150 dagen zou zijn bereikt. Maar Tom volgt met zijn versie van de zeespiegelcurve niet de algemeen geaccepteerde paleozeespeigelcurven die de geologen Vail en Hallam hebben opgesteld. Die laten duidelijk zien, dat de zeespiegel in het Ordovicium z’n hoogste stand bereikte ( 600 meter boven de huidige zeespiegel). In het Trias bereikte die z’n laagste stand (100 meter onder het huidige niveau), om vervolgens weer te stijgen tot 250 meter boven de huidige zeespiegelstand in het Krijt. Kaarten die de paleogeografie van het Krijt weergeven brengen in beeld, dat de continenten in het Krijt voor meer dan de helft boven de zeespiegel lagen, terwijl de continenten in het Ordovicium geheel onder water stonden (A. Hallam, 1994, An Outline of Phanerozoic Biogeography, p.143-152). Overigens staat er in Toms blad Kreaton, dat helaas niet meer verschijnt, in nr. 21 van januari 1991 op p.12 precies deze zeespiegelcurve afgebeeld. Ook is deze versie te zien in de Kreaton documentaire die door de E.O. indertijd is uitgezonden. Als je afgaat op deze gangbare curve is het duidelijk dat in het Ordovicum de hoogste stand van de zondvloed was bereikt en dat in het Trias de aarde goeddeels droog gevallen was: de zondvloed was toen al voorbij. Later is de zeespiegel weer gaan stijgen. Daar zijn redenen voor, die te maken hebben met de verdeling van de continenten. Hoogstwaarschijnlijk was dat in de dagen van Peleg (zie Gen. 10 : 25). Hoe legt Tom deze bijbelspassage uit? Hoe dit ook zij, de gangbare paleozeespiegelcurven van Vail en Hallam vormen juist een ondersteuning van het Europese zondvloedmodel, nl. dat de zondvloed in het Trias was afgelopen. De vraag die overblijft is, waar Tom zijn weergave van de paleozeespiegelcurve op de studiedag vandaan heeft? Als deze nieuwe curve wél klopt is dat inderdaad een probleem voor het Europese zondvloedmodel. 

 

6.      ‘Runaway subduction’: de ontbrekende sleutelfactor?                                              Tom vertelde ook in z’n lezing, hoe hij de oorzaak van de zondvloed zag. Hij liet beelden zien van meteorieten, o.a hoe die in Jupiter insloegen en hij wees er terecht op dat dergelijke inslagen waarschijnlijk een belangrijke rol tijdens de zondvloed hebben gespeeld. Dit is opnieuw een punt waarop de inleiders van de studiedag elkaar vinden. Verder liet Tom een schema zien, waarin werd uitgebeeld, hoe tijdens de zondvloed de oceaanbodems werden opgeheven, waardoor de oceanen over de continenten stroomden. Ook een punt van overeenstemming. Alleen bleef hier de samenhang vaag. Hoe hebben de impacts de oceaanbodem opgestuwd? Impacts krijgen dat op zichzelf genomen niet voor elkaar (N.J. Price, 2001, Major Impacts and Plate Tectonics, hoofdstuk 6 en 7). Een combinatie van impacts en ‘runaway subduction’ (het op hol geslagen afzinken van zware oceanische korst in de lichtere en hetere mantel) lijkt tot nu toe de beste verklaring te geven voor het omhoogkomen van de oceaanbodems, waardoor de totale inhoud van de kolken der waterdiepten uiteindelijk over de continenten werd uitgestort. ‘Runaway subduction’ is dan de ontbrekende schakel in Toms verklaring van de zondvloed, de noodzakelijke sleutel om uiteindelijk de zondvloed als wereldwijde overstromingsramp te kunnen verklaren.

 

7.      Onderbelichte post-zondvloedontwikkelingen.                                                         Dan is er nog het punt, dat bij Tom de geologische en biologische ontwikkelingen na de zondvloed onderbelicht worden. Dat komt, omdat hij vrijwel alle aardlagen van het Mesozoicum en Tertiair aan de zondvloed toe schrijft. De ijstijd (waardoor het Kwartair ontstond) zou direct op de zondvloed zijn gevolgd. Zo is mooi in één klap de hele geologische kolom verklaard. Er valt weinig meer te onderzoeken. Deze verleidelijke monocausale verklaring kan tot een toestand van intellectuele inertie en gearriveerdheid leiden, die bij het Europese zondvloedmodel ondenkbaar is. Binnen dit model moet je de aardlagen van het Mesozoicum en Tertiair nog apart verklaren als gevolg van processen en gebeurtenissen die zich na de zondvloed hebben afgespeeld. Dat betekent dus nog een flink stuk extra onderzoek: wat is er allemaal na de zondvloed gebeurd?

 

8.      Paleosols pas sinds het Eoceen?                                                                            Volgens Tom komen de paleosols pas sinds het Eoceen voor. Dat valt in het uittreksel van Tom’s lezing, gemaakt door Evert van der Heide en Herman Bos, te lezen. Dit zou betekenen, dat daarvoor niet de gelegenheid was tot bodemvorming. Een sterke aanwijzing dus voor een zondvloedduur tot aan het Tertiair en niet tot aan het Perm zoals het Europese zondvloedmodel voorstaat. In de vakliteratuur zijn er  sowieso een flink aantal beschrijvingen van volledig ontwikkelde bosbodems uit het Eoceen bekend. O.a. in de Chadron formatie in de Badlands (V.S.) uit het laat Eoceen, de formatie van d’Ezanville, nabij Parijs (laat Eoceen), een bosbodem in de Paso Flores formatie in Argentinië (laat Eoceen tot vroeg Oligoceen), bodems in de Capella Formatie van het midden Eoceen in Spanje, bodems in de Willwood formatie van het vroege Eoceen in Wyoming. Deze bodems worden allemaal beschreven in het boek ‘Paleosols. Their Recognition and Interpretation” van V.P. Wright, editor, 1986, Princeton University Press. Bovendien worden er in dit boek voorbeelden gegeven van bodems in het Trias, o.a. in de Newport formatie, nabij Sidney (vroeg tot midden Trias) en in de Chinle formatie in het beroemde Petrified Forest National Park in Arizona (midden Trias). Maar de klapper vormen de bodems die voorkomen in de Purbeck formatie van het boven Jura in Zuid Engeland, even ten oosten van Portsmouth. In een 5 meter hoge klif komen daar drie bodems boven elkaar voor. Vooral de bovenste bodem, de Great Dirt Bed, is zeer goed ontwikkeld. Die is 40 centimeter dik en bevindt zich tussen 2 kalksteenpaketten, de Hard Cap beneden en de Soft Cap boven. Deze bodem bestaat uit onverhard materiaal, met een duidelijke, 2 cm dikke humuslaag in de top met daaronder een 25 cm dikke A horizont (dat is een met humus verrijkte laag). In de bodem komen in situ boomstronken van coniferen voor, waarvan de duidelijk zichtbare en in grote getale aanwezige wortels in de bodem zijn verankerd. In de bodem bevinden zich verder veel naalden, takken, sporen en kegels van coniferen. Verder is het nog van belang te vermelden, dat de creationist David Tylor in de Cloughton formatie van het Midden Jura in Yorkshire 6 wortelhorizonten heeft ontdekt, van de soort Equisetites, een pioniersplant (zie ‘Proceedings of the Third International Conference on Creationism’, 1994, Pittsburgh, CRF, pp.540-541). De strekking van deze gegevens is natuurlijk, dat de geologische systemen vanaf het Trias van na de zondvloed dateren.

 

9.      Conglomeraten pas vanaf het Eoceen?                                                                     Dan is er nog de bewering van Tom, dat er pas vanaf het Eoceen conglomeraten in de geologische kolom voorkomen. Dat zou hetzelfde betekenen als bij de paleosols: een sterke aanwijzing voor een Zondvloed tot en met het Tertiair. Uit de geologische literatuur blijkt echter, dat er in formaties onder het Eoceen ook wereldwijd conglomeraten te vinden zijn. Zo bevindt zich aan de basis van het Cambrium bijna wereldwijd een conglomeraat. Die wordt door creationisten algemeen gezien als behorend tot de eerste zondvloedafzetting. Daarover zijn we het wel met elkaar eens. Voor de rest komen er in het Paleozoïcum geen conglomeraten voor, behalve op de grens van het Carboon en Perm. Hier zien we een bijna wereldwijd fenomeen optreden, nl. dat de Carboon formaties discordant worden afgedekt met dikke pakketten conglomeraat van het onder Perm. We komen deze formaties tegen in Engeland, Ierland, Spanje, de V.S., Rusland, Zuid Afrika, India, Zuid Amerika, Australië. (Zie hiervoor: D.V. Ager, Introducing Geology, 1975, Faber Paperbacks, pp.123-143 en D.V. Ager, The Nature of the Stratigraphical Record, (3e editie), 1993, Wiley & sons, p.128 e.v.). Wat was er toen aan de hand? In termen van het Europees zondvloedmodel zitten we dan in het eindstadium van de zondvloed. Fragmenten van continenten botsten toen op elkaar,  waardoor de zgn. Hercynische gebergten ontstonden, zoals de Oeral, de Appalachen, de Schotse en Noorse Hooglanden, het Atlasgebergte, de Ardennen. Ager vertelt ons wat er toen gebeurde: “In north-west Europe it is difficult tot separate the Permian from the Trias. The Permian consists of breccias and conglomerates interbedded with red sandstones These are the products of the rapid weathering of the newly-raised Hercynian mountains. Troughs received great thicknesses of Permo-Triassic continental deposits. It can be shown in places that these breccias and conglomerates contain fragments of Silurian and Carboniferious rocks. This illustrating the stripping away of the younger rocks and uncovering of the older cores of the mountains” (Introducing Geology, p.123). Op de volgende bladzijden laat Ager zien, dat op vrijwel alle continenten op de overgang van het Carboon naar het Perm zich soortgelijke hevige erosieprocessen afspeelden als in noord west Europa, steeds met conglomeraten en breccies als resultaat. Dat blijkt uit de volgende citaten uit ‘Introducing Geology”. De eerste gaat over de Dwyka series in Zuid Afrika, die aldaar de overgang aangeven van het Carboon naar het Perm. “The most interesting deposits of the whole Karoo succession is a thick conglomeratic division at the top of the Dwyka series. They usually consist of a great variety of unsorted, angular blocks scattered irregularly in an unbedded clayed deposit” (Introducing Geology, p.137). In Zuid Amerika bevinden zich “sediments comparable  with that of the Dwyka series” (p.140) en ook in India begint het Perm “with a thick boulder bed” (p.141), en eveneens in Australië en op Antarctica komen er op de overgang van het Carboon naar het Perm zeer grove afzettingen voor, die weer sterk lijken op die van de Dwyka series in Zuid Afrika (p.141-143). Het punt is, dat het hier gaat om grove afbraakproducten van onderliggende aardlagen van het Paleozoïcum, d.w.z. van zondvloedsedimenten die inmiddels waren versteend.   

Ager beschrijft vervolgens de continentale Trias afzettingen, die boven op de Perm afzettingen liggen. Hij constateert dat deze continentale Trias lagen steeds beginnen met een conglomeraat van dikke kiezels. Dit pakket, dat volledig fossielloos is, komt tot grote verwondering van Ager niet alleen in Engeland voor (daar vormt het de bovenste laag van ‘The New Red Sandstone’), maar ook in Frankrijk, Duitsland, Spanje, Bulgarije, aan de oost en westkust van de V.S. (o.a de Newark formatie), in Marokko, China en Argentinië. “The similarities are almost laughable”, merkt Ager op. Hij verklaart dit bijna wereldwijde voorkomen van deze zo sterk op elkaar lijkende conglomeraten aan de basis van het Trias door “the final tremors of the Hercynian Orogeny, which caused renewed uplift of the mountains ans so renewed rapid erosion” (The Stratigraphical Record (3e editie), p. 8-10; Introducing Geology, p.128). De boodschap van deze opmerkelijke wereldwijd voorkomende conglomeraten van het Perm en het Trias is duidelijk. Ze bestaan uit versteende afbraakproducten van de Paleozoische aardlagen. Ze komen praktisch wereldwijd voor. Plus dat de conglomeraten van het Perm en Trias door geologen als “evident continental deposits” worden beschouwd: erosieproducten van gebergten die in woestijnachtige milieus zijn afgezet, “completely lacking in marine fossils”. In termen van een zondvloedgeologische benadering: deze kenmerken wijzen er op, dat de conglomeraten van het Perm en het Trias zijn ontstaan toen de zondvloed al was afgelopen. Overigens werd deze conclusie al getrokken door de Engelse creationisten rond 1800: “most geologists believe …the Noach Flood was not the cause of the secondary and tertiairy formations”. Zij constateerden al dat ‘The New Red Sandstone’ afzettingen bestaan uit erosieproducten van ‘The Old Red Continent’ uit het Devoon. Ook kenden zij al de fossiele bodems in de Purbeck formatie van het boven Jura. Mede op basis van deze kennis rekenden zij toen al de aardlagen vanaf het Perm/Trias tot die van na de zondvloed (T. Mortenson, British Scriptural Geologists in the First Half of the Nineteenth Century. Part 1 in: CEN Technical Journal, 11, part 2, p.231; V.P Wright ed. 1986, Paleosols, p.113). En de conglomeraten dan die na het Eoceen zijn gevormd? Hoe plaats je die? Zij vormen in zekere zin een herhaling van de conglomeraten van het Perm en Trias. Ook de conglomeraten in het midden Tertiair (Oligoceen, Mioceen) zijn het resultaat van gebergtevorming, maar nu van de Alpiene gebergten, zoals de Rockies, de Andes, de Alpen, de Himalaya, de Pyreneeën, de Appenijnen, het Atlasgebergte enz. Deze gebergteketens moeten na de zondvloed zijn gevormd. Vanuit het Europees zondvloedmodel zijn ze te beschouwen als het product van de verdeling van de continenten, zoals die zich in de dagen van Peleg (Gen.10 : 25) heeft afgespeeld. Daarbij deden zich botsingen voor tussen continentale platen waardoor stukken korst werden geplooid, scheefgesteld en opgeheven. Hierbij kwam een enorme hoeveelheid erosiepuin vrij dat in de vorm van conglomeraten, flysch en molasse afzettingen in het voorland van de gebergteketens in bekkens terecht kwam.

 


De lezing van Henk Murris.

 

In het kader van deze reader, waarin het onderzoeksterrein van Henk een van de onderdelen vormt in de geologische en biologische mutaties na de Zondvloed, heeft een discussie over zijn bijdrage aan de studiedag van Kom&Zie op Urk weinig nut. Of je nu kiest voor het Europese of voor het Amerikaanse model, het onderzoek van Henk is erin te passen. Daarom wordt het hieronder als punt c. van de nog uit te werken zaken genoemd. Henk heeft hierin duidelijk een voorsprong. Hij kan zich in deze bundel niet uitspreken voor of tegen een van de modellen, omdat zijn onderzoeksterrein eigenlijk van daarna is. Of het Amerikaanse model moet de eerste primaten als laatste slachtoffers van de Zondvloed zien, die door hun hogere intelligentie en handigheid een grotere vluchtpotentie bezaten en daarom pas als laatsten  omkwamen in het zondvloedgeweld. Hoe zit dat? Prachtig voer voor een volgende studiedag!

 

Aanwezige organisaties.

 

Onder het agendapunt ‘presentatie van de verschillende studies’ in de uitnodiging voor de studiedag vertelden verschillende personen waar ze mee bezig waren of welke organisatie ze vertegenwoordigden. De inleiders vertelden uiteraard van hun activiteiten waarbij Tom Zoutewelle zijn stichting Creaton vertegenwoordigde. Een stichting die zich inzet voor creationistisch onderzoek en het ontwikkelen van onderwijsmethoden daartoe. Laatst is een mooie internetsite geopend: www.creaton.nl. Ook andere  organisaties waren van de partij. Onder hen waren:

 

·        Stichting Creabel: een bijzonder actieve stichting die veel lezingen voor uiteenlopend publiek verzorgt en veel creationistisch onderzoek toegankelijk maakt voor het Nederlandse taalgebied: www.creabel.be.

·        Stichting Bijbel&Onderwijs: ook een actieve stichting die bijzonder goed thuis is op het gebied van ontwikkelingen in de onderwijssector en vooral in een bijbelse toetsing daarvan. Actuele brochures over allerhande zaken die met opvoeding en ontwikkeling van kinderen tot pubers te maken hebben zijn bij hen te verkrijgen: www.bijbelenonderwijs.nl. en www.webscolieren.nl.

·        Peter Scheele vertelde over de ontwikkelingen op ‘zijn’ gebied. Zijn boek ‘Degeneratie’ is in het engels vertaald, een Afrikaanse versie is in voorbereiding en hij verzamelt informatie voor een tweede boek. Stay tuned! www.degeneratie.nl.

 

Conclusie en verzoek.

 

Ter afsluiting van deze discussieronde over de verschillende bijdragen van de sprekers, volgt een overzicht van de voornaamste items waarover in een gezamenlijk creationistisch wereldmodel nog de nodige consensus moet groeien, cq. waaraan verder kan worden gewerkt.

 

a.       Afbakening zondvloedafzettingen – post zondvloedafzettingen; de hoofdkeuze die hier gemaakt moet worden is of je het Cambrium t/m het Carboon als product van de zondvloed ziet of de aardlagen van het Cambrium t/m het Tertiair (zie M. Stephan & T. Fritzsche, Sintflut und Geologie, p.83). De huidige trend, zeker in Europa, is om de grens tussen zondvloed en postzondvloed afzettingen lager in de geologische kolom te leggen, dus inderdaad richting Perm/Carboon.

 

b.      Duidelijkheid over welke zondvloedmechanismen een rol hebben gespeeld:

-         meteorietenbombardement (100% zeker);

-         ‘runaway subduction’ = op hol geslagen afzinking (zeer waarschijnlijk);

-         openbreken onderaardse waterreservoirs eventueel gecombineerd met hydroplate dynamica (onduidelijk tot onwaarschijnlijk);

-         instorten van waterdampmantel om de aarde (op bijbelse gronden waarschijnlijk).

 

c.       Welke geologische en biologische processen hebben zich na de zondvloed afgespeeld?

-         snelle soortvorming b.v. door plotselinge milieuveranderingen in combinatie met gedifferentieerde genexpressie en genetic drift (zie lezing Henk Murris);

-         extinctieronden a.g.v. impacts, massavulkanisme en dynamische oceanen;

-         megasuccessies die resulteerden in snelle repopulatie en rekolonisatie van de aarde.

-         verspreiding van dieren en mensen na de zondvloed over de aarde (zie ook Henk Murris).

 

Ook Evert van der Heide gaf in zijn lezing zijn visie op noodzakelijke speerpunten in toekomstig creationistisch onderzoek (pag. 21).Wat bovenstaand punt a. betreft, lijkt het het beste om een reader te maken, waarin alle argumenten worden opgesomd, die moeten aantonen dat de aardlagen vanaf het Perm/Trias van na de zondvloed dateren. Deze reader is een aanzet daartoe. Daarnaast zou dan het antwoord van Tom hierop vermeld kunnen worden.

 

Eventueel kan zoiets ook op één of meerdere internetsites geplaatst worden. Zoals Creabel.be, Creaton.nl, Bijbelenonderwijs.nl, webscholieren.nl, gwg.nl, Oorsprong.nl, De Oude Wereld.nl, ANW-antwoord.nl, of de site van Marinus P. Kiel en noem verder maar op (zie voor suggesties de voorstellen van Kees-Jan van Dam voor de toekomst, pagina 44). Zo kunnen we samen verder bouwen en de rijen gesloten houden, ondanks eventuele verschillen van mening.

Wat punt c. betreft, zou het mooi zijn als we, zoals hierboven gezegd een van de volgende  studiedagen hierover konden beleggen.

 

Wat we dan wel nodig hebben zijn mensen zoals Kees-Jan van Dam. Mensen die tijd vrij willen maken voor een stuk onderzoek en daarnaast de energie op kunnen brengen om dit onderzoek voor anderen toegankelijk te maken! Onvoorstelbaar hoe goed Kees-Jan zich als bioloog in de geologische ideeën van Walt Brown heeft ingelezen en het op zo’n heldere manier heeft kunnen verwoorden op de studiedag. Alle lof!

 

Hans Hoogerduijn (‘modelbouwer’) en Jan Rein de Wit Azn. (organisator).

 

Overigens zult u begrijpen dat het organiseren van een dergelijke studiedag en het uitwerken van de resultaten zoals deze nu voor u liggen de nodige gelden hebben gekost. Wilt u meewerken aan het tot stand komen van de volgende studiedag en meedragen in de kosten van de vorige dan kunt u uw bijdrage storten op rekeningnummer 11.42.77.451, Rabobank Urk ten name van J.R. de Wit onder vermelding van Studiedag Kom&Zie.

 

Hartelijk dank,

Jan Rein de Wit Azn.

 

 “De Waarheid bestaat en het is onze taak om die aan het licht te brengen!”


Tekstvak: Gids bij het lezen (print uit en houd bij de hand).

Tekstvak:  Tekstvak:

       

 

         Perm                             Trias                           Jura                              Krijt

Mondiale verwoestijning.    Massale erosie nieuwe       Verdeling zet door.          Kusten en laaglanden

Bergvorming door botsen-   bergen. Landen weer uit-   Snelle wisseling van        bedolven door vloedgolven

de continenten.                     een. Rivieren ontstaan.       magnetische polen.         uit zee. Megasuccessie.

 

 

Tekstvak:

 

Tekstvak:  Tekstvak:  Tekstvak:

      Tertiair                     Kwartair-Eurazië         Kwartair-Amerika     Toekomstige aarde.

Nieuwe puls impacts.        Snelle klimaatschommelingen, ijskappen rukken op. NB:     Wat zegt de Bijbel?

Laatste continenten-          de ijstijdtheorie wordt betwist. Zie de bijdrage van Cok

drift, nieuwe bergen.           van der Louw op de vorige studiedag van Kom&Zie. (Reader nog verkrijgbaar)